Willem Bilderdyk (1756-1831)

Proeve van Fabelen.

VOORREDE.

   BATTEUX zegt, indien ik my wel herinnere, dat de Ezopische Fabel het schouwspel der kinderen is. Het kan zijn, doch ik wilde ze liever dat der Grijsheid genoemd hebben. Van mijne vroegste kindsheid af, met deze Fabel bekend gemaakt, heb ik er nooit iets treffends, nooit iets belangrijks, in opgemerkt, dan alleen, in ’t geval dat ik ze op eenig voorval des Levens of wel, der Geschiedenis, konde toepassen. Cezar, Alexander, Tarquinius, Brutus, Semiramis, waren my toen ik nog geen drie jaren bereikt had, personaadjen van ’t grootste gewicht, en hun daden, hun woorden, hun gantsche gedrag wekte mijn hoogste opmerking tot zelfs in de minste bijzonderheid; maar het was my vervelend, wat de Wolf tegen het Lam, of de Vos tegen de Raaf zeide. En ik geloof, dat mijne ondervinding juist is. De Ezopische Fabel is alleenlijk belangrijk, door ons beelden van ’t gemeenn leven voor te stellen; doch deze beelden hebben noch waarheid, noch belang, dan waar de ondervinding des levens ons in staat gesteld heeft, hunne overeenstemming met het geen deze ons getoond heeft, niet slechts te erkennen, maar met waardigheid en genoegen op te merken. En dit kan het kind zeker niet! De bedachtzaamheid van Ouders of Leermeesters, om by alle gelegenheden het kind aan een’ trek van de Fabel te erinneren, die zich in ’t voorhanden zijnde voorval laat toepassen, kan veel doen om het de Fabel te veraangenamen; waar zy zal het kind neuswij en ingebeeld maken, en welhaast roekloos in het oordeelvellen; het geen dra in een’ charaktertrek van wezendlijk ondeugd overgaat. Geene Fabelen derhalve voor de kinderen! Zij behooren tot het onderwijs des Jonglings, dan, als men hem by de intrede van zijnen baan het menschelijke leven moet leeren kennen. Zij houden de plaats van PRACTICALE, geene GRONDLEERSTELLINGEN. Maar de Jongeling herinnert zich zijne Fabelen zoo min als zijnen Catechismus, wanneer ze hem in zijne kindsheid verveeld hebben. En dit is wederom natuurlijk, daar het NUT dan verr’ van den LAST, het VERMAAK van het ONGENOEGEN verwijderd geweest is, en het laatste te lang zijne indrukken geoefend heeft, om door ’t flaauw genoegen eener bloot verstandelijke voldoening, die zich naauwlijks nog aanvangt te toonen, genoegzaam beloond of verduisterd te worden.

   Maar het is de Ouderdom, die, rijk in ervaring, en arm in werkzaamheid, met genoegen te rug denkt, en, als op het einde van de reis des levens, ’t geen hy of toevallig verga‚rd, of met schade en arbeid gekocht heeft, vermaak schept in uit te stallen of na te tellen. Hy benint de Ezopische Fabel, als de kern van voorvallen, reeds beleefd, en waarvan zijn hem ’t voordeel van kennis dat er in stak, of vernieuwt, of wellicht eerst leert uitpuren. Maar ook hy bemint de eenvoudigheid van het voorstel, het onopgesierde der beelding, en de kleenheid des besteks van dit schilderij; dewijl hy van kunst, praal, en pracht lang vermoeid en walgend, geene beschouwing meer lijden kan, die hem inspanning kost. Zie daar mijnen toestand ten minste. — Heb k ’t wel, of bedriege ik my, wanneer ik hier byvoege, dat de Fabeldichters alle oude lieden geweest zijn, of van die gesteldheid van geest, welke die des ouderdoms is, en die veeltijds het gevolg van verdrukking of ongeluk, somtijds ook van een natuurlijk en aangeboren kinderachtigheid is, welke den ouderdom altijd meer of minder verzelt? Men zegt niet te onrecht: Bis pueri, fenes. Maar deze tweede kindsheid heeft wijzigingen ontfangen, waardoor zy belang neemt in ’t gene der eerste kindsheid onverschillig moet zijn. — Voor oude lieden derhalven de Fabel! Hun geheele leven zal er den Commentarius over opleveren. Voor kinderen de Geschiedenis, welke hen de nuttige werkzaamheid van het leven beminnen doet! Of, indien men hun Fabelen geven wil, laten ’t zulke zijn als de Indiaansche van PILPAI; welke in het gewaad der Historie gekleed, hunne graage verbeelding en aandoenlijk hart te gelijker tijd bezig houden, en het belang der Geschiedenis met dat der zedelijkheid in zich verŽenigen:

   Na deze Voorafspraak behoef ik niet te zeggen dat de Fabelen, die ik hier geve, voor gene kinderen zijn!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 3 oktober 1997