Willem Bilderdyk (1756-1831)

Argine.

R O M A N C E.

Vorst Edel drukte Deiraas throon
Zijn Broeder was niet meer,
En liet een jeugdig spruitjen na,
Een meisjen, jong en ter.

Wanneer de stervende Adelbrecht,
Op ’t jongste krankbed lag,
En met een onbeneveld oog
Den dood genaken zag;

Zoo greep hy met zijn veege hand
Zijns Broeder rechterhand,
Beval zijn ziel aan Gods gena,
Aan hem, dit dierbaar pand.

Bij ’t Kroonrecht, tusschen ons verdeeld;
By ’t Broederlijke bloed;
By Hem, voor wiens gericht ik ga,
En gy eens volgen moet;

By al wat heilig is op de aard,
Of wat uw hart bemint,
Bezweer ik u met veegen mond,
Behoed mijn eenig kind.

Behoed ze, breng ze, als de uwe, groot,
En dan, verdruk ze niet;
Maar stel den scepter in haar hand,
Dien ik in de uwe liet!

De Broeder deed een’ duren eed,
En zei hem alles toe.
Zoo zeker zij mijn deel by God,
Als ik uw wil voldoe ! —

Helaas! de vader sluit het oog,
En Edel voert zijn’ staf.
En delft Geweten, Trouw en Eer,
By ’s broeders lijk in ’t graf.

Argine groeit in schoonte en jeugd,
En ’t Maagdlijk knopjen rijpt;
En Edel wordt eene angst gewaar,
Die in zijn boezem grijpt;

Een aantal Prinsen vraagt haar hand!
De Koning slaat hen af.
Neen (zegt hy met een gram gelaat),
Bewaren wy den staf!

Het schuldloos Meisjen, niets bewust,
Wordt ijlings ingespard.
Geen toegang bleef er tot de Maagd,
Geen uitzicht op haar hart!

De Prins der Deenen zag haar schoon,
En was ’er van geroerd;
Nu hoort hy Edels strengen last,
Met strengheid uitgevoerd.

Wat zal, wat kan der ontroerde Prins?
Haar redden of vergaan! —
Ach, dolheid van eene eerste drift!
Hier is geen redden aan.

Vergeefsch, met wapens in de hand
De wachters aangetast!
Vergeefsch, een vreemd, een gastvrij land
Met stroomen bloeds beplascht!

Vergeefsch de burchtwalpoort beloerd,
Of aangerand door ’t goud!
Geen toegang is ’er in den muur,
Die haar gevangen houdt.

Wat doet hy? — Min heeft list te baat!
Hy schudt den Kroonprins uit,
En doscht zich in eens Landmans pij,
En speelt een boerenfluit.

Hy biedt zich-zelf den slotvoogd aan,
Vermaakt hem met zijn’ toon,
En treedt als Huisknaap in zijn’ dienst,
Hy, grooten Kanoets zoon!

Thands ziet hy die zijn hart aanbidt,
Argine, van naby,
En trekt, en vest heur vorschend oog,
Op zijn geringe pij.

Iets eedlers dan de dosch verreid;
In houdign en gelaat,
Vertoonde een meer dan boeren teelt;
En streedt met dit gewaad.

Nogthands, zijn zachte nedrigheid,
Dienstvaardig vroeg en laat,
Had hem als met zijn’ staat vereend,
En eerde dezen staat.

Eens dat hy tot Argine trad,
Ontvlood zijn oog een traan.
Ach! (riep hy) wist gy wie ik ben…!
En bleef als spraakloos staan.

De schoone werd in ’t hart geroerd,
Maar sloeg een vinnig oog,
Een oog van gramschap op den Prins,
En al zijn hoop vervloog.

Zijn min bleef echter niet bedekt;
(Wie hield ooit min gesmoord!)
Maar werd weldra in ’t slot vermoed,
Verrast en nagespoord;

Wanneer hy soms de Boerenpijp,
In zoeten avonddaauw,
’t Aandoenlijk klaaglied zingen deed
Van zijn onheelbren rouw:

Wanneer hy met verwarden geest,
Niet wetend wat hy deed,
Argine! — mijne Argine? riep,
En dan zijn lippen beet:

Wanneer hy, van gelaat verbleekt,
Verslonden van ’t verdriet,
Het eer zoo moedig jeugdig hoofd
Wanhopig hangen liet. —

De Koning hoorde van den knaap,
En zijn’ belachbren gloed.
Hy kwam, en zag den jongling,
En gaf zijn Liefde, moed.

Het Lot onthield u schat en staat,
Maar braafheid niet noch eer:
En wijst met uw geringheid af,
Wees Edels Kamerheer!

Dus sprak hy, zelf in ’t hart verheugd,
Dat zoo gering een Trouw
De Schoone, kwam zij slechts tot stand,
Van ’t Kroonrecht weeren zou.

Dus sprak hy en betuigt zijn Nicht,
Hy reikhalst naar heur Echt,
En heeft haar (zy werstreef hem niet!)
Een Bruigom toegelegd.

Meer zegt hy, meer ontdekt hy niet;
Ze ontwart nogthands den knoop,
En ziet met schaamte beide en spijt,
Zijn oogmerk en zijn hoop.

Hoe? Ik, het bloed van Adelbrecht;
Zoo veler Vorsten kroost;
Vernederd tot zoo laag een Echt —
Hier houdt zy op, en bloost!

Verdrukking had zy ondergaan,
Heur hart boog willig ner:
Maar thands, vernederd tot dat punt,
Verhief zich hart en eer.

Vermomd in onbekend gewaad,
Begunstigd door de nacht;
Ontvliedt zy langs de wildernis
En dwang en Kerkerwacht.

De Prins verneemt haar stille vlucht,
En, met de dood in ’t hart,
Zoekt verr’ van ’t hem nu haatlijk slot
Den balsem voor zijn smart.

Zich-zelv vergetend, staat, en rang,
Geboorte, Vaderland,
En wat hem immer dierbaar was,
Doorkruist hy heide en zand.

Maar ach! waar zoekt, waar vindt hy haar,
Waar al zijn heil in rust!
Vergeefsch, door heide en zand gekruisd;
Hy kent noch heil noch lust.

Dus dwaalt hy jaren in en uit,
Tot eindlijk, zwervens zat,
Een eenzaam dal zijn woning wordt,
Vervreemd van Hof en Stad.

Daar neemt hy in een Boersch gehucht
Den tasch en herdersstaf,
En drijft een kudde wollig vee,
En zweert de grootheid af.

Daar vindt hy in behoefte in vlijt
De rust en kalmte wer:
En in zijn nieuw en vredig lot
Verliest zich ’t wreed WELER.

Maar ziet! een jonge Herdersmaagd,
Die daar een’ troep geleidt,
Trekt, eer hy ’t weet, zijn oog en hart,
Waar hy zijn schapen weidt.

Aanminnig was haar zoete mond,
Waarop het kersjen bloost,
Aantreklijk heel heur lief gelaat,
In ’t zonlicht bruin geroost.

Geheel de dartle Herdersjeugd
Aanbad en liep haar na.
En wie ’t beminlijk meisjen zag,
Die wenschte haar tot G.

Maar statige ernst en waardigheid
Die ’t blinkend voorhoofd hult,
Hield al de dartle Herderjeugd
Met diep ontzag vervuld.

De Prins vergeet en kudde en stal,
En mijmertr en verkwijnt,
De kalmte van zijn ziel heeft uit;
Zijn lust, zijn rust, verdwijnt.

Hy zucht, hy aarzelt, en besluit;
Treedt wer te rug, en zwijgt.
In ’t einde, hy ontdekt zijn vlam,
Die immer hooger stijgt.

Eens dreef hy ’t vee, naby haar vee,
Op d’eigen heuvelgrond,
En zette zich in ’t malsche gras,
Waar ’s meisjens veldhut stond.

Het vee herkaauwde langs de wei;
De wachthond, aan zijn voet,
Sliep by de zachte koestring in
Van Lentes zonnegloed.

Nu stelde hy zijn Herderspijp,
Gewrocht uit stevig riet,
En zong op zoete minnetoon,
Een boersch maar teder lied.

Wat schuwt gy, lieve Herderin,
Die om uw liefde smacht?
Of wat onttrekt gy u aan zijn oog,
En dartelt met zijn klacht!

Beschouw mijn hut en lamm’renkooi,
En oordeel onverblind,
Of ik zoo gants onwaardig ben,
Dat my een Meisjen mint?

Ik ken my-zelv’ en uw waardy,
Uw schoon, uw zedigheid!
Maar weinig weet gy, lieve Maagd,
Wie om uw gunsten pleit!

Doch zie den Herder slechts in my;
Den Herder, die u lieft;
Die niet dan voor u ademhaalt;
Dien gy wanhopig grieft.

Zeg my, zoo uw moedig hart
Uw kunne niet verzaakt,
Wien wacht, wien kiest gy tot gemaal,
Indien gy herders wraakt!

De Bouwman kent by os en ploeg
Geen ware tederhen.
Zijn liefde, zoo zijn bloed ontsteekt,
Is diersche drift alleen.

De Werkman slaaft van vroeg tot laat
Om ’t schrale broodgewin.
En ronkt na d’afgeloopen dag
Gevoel- en zielloos in.

De Koopman streeft door land en zee,
Terwijl zijn teedre vrouw
Haar jeugd, haar leven, slijten moet
In weduwlijken rouw.

Neen, kies een’ Herder, dierbre Maagd!
Hem boeit geen harde plicht,
Hem scheurt geen hebzucht van de G,
Die aan zijn boezem ligt.

By ’t eerste krieken van het licht
Ontsluit hy kooi en stal,
En slijt den dag in vreugde en spel,
Naar eigen welgeval.

En daalt de Zon in ’t gloeiend West,
Hy keert vernoegd en blij,
En neuriet by den zakpijptoon,
Of speelt een melody.

De Nacht heeft stille rust voor hem,
Door vrees noch angst gestoord.
Het storm’ te land of over ’t meir,
Geen kommer jaagt hem voort.

Hy ducht geen’ hagel voor zijn graan,
Geen werkeloozen dag;
Geen bankbreuk, roof of zeeverlies
Verbant zijn’ gullen lach.

Geloof my, ’k weet het, lieve Maagd,
De Herder slaapt gerust;
Geruster dan een Koning slaapt,
Door stage zorg onthutst.

Een Koning is niet meer dan mensch;
Ik ben een mensch als hy;
En meerder is genoegen waard,
Den heel een Monarchy.

Ik kende een’ Koning, verr’ van hier:
Hy liet een Dochter na:
In schoonheid had zy, buiten u,
Gelijk noch wederg : —

Hier zweeg hy, gaf een diepe zucht,
Die door zijn’ boezem sneed;
En ’t scheen of hem zijn bloedend hart
Zijn nieuwe min verweet. —

Hy zweeg. De schoone treedt hervoort,
Op ’t hevigst aangedaan;
En vraagt hem, wie de schoonheid was,
En bidt hem voort te gaan.

ch (zegt h)! verg my geen verhaal
Van hare aanloklijkhen!
Mijn oog heeft ze al te wel gezien;
Mijn hart daar voor gelen.

Neen ’k schetste u, noch heur’ eedlen tred,
Vol majesteit en zwier;
Noch ’t minlijk lachjen van heur’ mond,
By al heur zachtheid, fier.

Ik male u, noch heur vlammend oog,
Dat door de harten drong;
Noch ’t kwijnend drijven van dat oog,
Waar al mijn heil aan hong:

Noch ’t golvend goud dat d’elpen hals
In dartle lokken sloot: —
Ach! ’t was de Godheid van mijn hart;
Maar, werd te zijn vergood!

Neen nooit had oog, of tong, of hart
Zoo veel volkomenhen
Gezien, geroemd, gewenschd, gedacht,
Vereerd, of aangeben.

Zoo schoon, zoo mijnlijk, zoo volmaakt,
Was zy van wie ik spreek :
Slechts eene op aard die haar gelijkt,
Of die haar ooit geleek.

Argine… Ik ken haar (zegt de Maagd):
Ik zag heur vaders Hof;
Maar ’k vond heur schoon zoo zeldzaam niet,
En verr’ van zulk een’ lof.

Men hoort wel ’t is een Boerenknaap,
By schapen opgekweekt,
Dier dus de schoonheid uittrompet,
En naar zijn inzien spreekt!

Doch, wat benevelt dus uw oog!
De Herder stort een traan,
En zy, ze ontroert, verbleekt en bloost,
En blijft als roerloos staan.

Ach (zegt hy)! ’k ben de veldknaap niet
Tot wien dit kleed my maakt.
’k Heb me eenmaal om Argines min,
En thands om u, verzaakt.

Haar minde ik ter, rampzalige ik!
En ach! wat doe ik nu!
Ik minde een haatster van de min,
Nu sterve ik, maar voor u!

’k Ben Kuran, Prins van ’t Deensche rijk,
En heb me aan Edels Hof
In Vorstelijken staat getoond,
Tot my de Liefde trof.

Maar hoe! wat zie ik? — hoe! gy schreit!
Wat wil die vlotte traan ? —
zy weent, en beide staan ontroerd,
En zien zich zwijgend aan.

In ’t einde: Neen, het is te veel
(Dus barst zy schreiend uit)!
Argine heeft uw hart beproefd;
Ontfang haar als uw Bruid!

Dus sprak ze, en valt d’ ontzetten Prins
In d’ arm, die haar omvat:
Herken in die uw hart bemint
Haar, die het eens aanbad

1804.


Aantekening van de dichter:

Deiraas = Koningrijk, makende het Zuidelijke gedeelte van het oude Saxische Rijk van Northumberland uit.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 20 september 1997