Willem Bilderdyk (1756-1831)

Anton Beilaert.

R O M A N C E.

Neen, waan niet, onbedachte Vrouw,
Dat Holland voor u bukt,
Wy buigen voor den hoogmoed niet,
Die u het hoofd verrukt.

Neen, Hollands adeloude teelt
Is veek te groot van ziel:
Het sterflot bracht om heur’ Heer,
Maar niet aan ’t Spinnewiel.

Ga, boet uw lust in dartelheid,
Naar uwen wulpschen aart!
Maar strek geen handen naar den staf,
Of — wees voor ’t minst hem waard!

Doch, wat Jacobaas recht ook waar
Op ’t Vaderlijk gebied;
Wij zwoeren eed aan Hertog Jan,
En ik, ik breek dien niet. —

Dus was ’t, dat wakkre Beilaert sprak
In Hollands oudste Stad,
Terwijl hy in den breeden Raad,
Aan ’t hoofd der burgren zat.

Maar ach! Jacobaas heir verschijnt
Met heel der Hoekschen kracht:
De moed ontzinkt de Burgerschaar:
De Stad is in heur macht.

Nu eischt zy d’onverlaat ter dood,
Doe zoo baldadig sprak:
En Beilaert wordt gevat, gedoemd,
Dat by zijn trouw niet brak.

Men doemt als kwetser van ’t ontzag,
Hem straks ter gruwbre straf:
Te smooren, levend, onder de aard,
In ’t toegeworpen graf.

’k Wist (sprak hy), dat ik sterven moet,
Het zij dan vroeg of sp;
De dood heeft niets dat my ontzet;
Zy is ons altijd na.

’k Was altijd voor het graf bereid;
Maar ’k heb nog eene plicht,
Waar van ik my te kwijten heb,
En die me op ’t harte ligt,

Vergun my, dat ik voor mijn dood,
Die teedre plicht voldoe,
En sta my zeven dagen tijds
Tot haar vervulling toe.

Men laat’ my onverhinderd gaan:
Op morgen reis ik af,
En keer in zeven dagen dagen wer,
En onderga mijn straf.

Zie daar mijn woord! een woord van eer,
Het geen ik nimmer schond!
In zeven dagen keere ik wer,
En delft men me in den grond. —

Hy gaat, (men stond zijn bede toe!)
En ’t lijdt een korte stoot,
En Utrechts fiere Mijtherstad
Ontfangt hem in haar schoot.

Het eenig spruitjen van zijn Echt,
Een Meisjen ter en zoet,
Werd daar voor ’s Heilands kruisaltaar
In Godvrucht opgevoed.

’t Kwam Moederloos de wareld in,
Beklagenswaardig wicht!
Haar, die haar uit heur’ schoot ontbond,
Haar kostte zy het licht.

Naauw had zy vijftien jaar bereikt,
En was door schoonte en deugd
De bloem der jonge Maagdenrei,
En al heurs Vaders vreugd.

De Lelie bloeit zoo statig niet,
Het roosjen niet zoo zacht,
Als ’t bloemtjen van heur frisch gelaat
Waar uit een Engel lacht.

Haar boezem kweekt geen andre zucht,
Dan voor haar God-alleen,
Den sluier en het Nonnenkleed,
En, ’s hemels Heerlijkhen.

Doch, anders was heurs Vaders hoop.
Hy had dit dierbaar pand,
Het laatste spruitjen van zijn’ stam
Bestemd ten huwlijksband.

De Brave Herman, jong en fier,
Van overoud geslacht:
Ziedaar den Bruigom die haar vraagt,
Dien hy haar waardig acht.

’t Was Herman, die in Utrechts wal
Des Bisschops macht gebood,
Een rein en Hollandsch hart bezat,
En uit oud Kenheim sproot.

Hy keerde van den Wapenschouw
En gaf zich naar de stad,
Wanneer hy Beillaert naadren zag,
Die in den Voorburg trad.

Flux vliegt hy in zijns halsvriends arm,
Dees drukt hem ter aan ’t hart:
Een traan van terheid nat zijn oog,
Maar dit verraadt geen smart.

Mijn Herman (zegt hy) is uw gloed
( Gy hebt haar eens bemind.)
Noch even teder als hy plach
Voor mijn geliefkoosd kind?

Wat vraagt gy (sprak de jongeling!)
Ach! lees in mijn gemoed.
Hy blaakt steeds heviger dan ooit:
Ondoofbaar is die gloed. —

En zoudt gy om haars Vaders wil
Haar liefde niet versman,
Indien hy voor zijns Vorsten zaak
De dood moest ondergaan ? —

Te dierbrer wierd heur dierbre hand
My om haars Vaders lot;
Al trad hy voor eene eedle zaak
Op ’t eerloos strafschavot! —

Welaan! aanvaard haar van mijn hand;
Voltrek, volvoer uw Echt;
En blijf de zegen van omhoog
Aan uwen stam gehecht!

Voor my, mijn sterfuur is naby;
En ik, ik ben gereed,
Zoo dra ik mijn verlaten kind
Met u gelukkig weet. —

Des jonglings hart werhoudt zich niet,
Maar huppelt op van vreugd.
Mijn Vader (zegt hy) vrees gerust!
Uw Herman mint de deugd. —

Nu naadren zy het Kloosterstift,
Waar ’t jeugdig Meisjen beidt;
Waar naaldwerk, Choorzang, en Gebed,
Haar uren onderscheidt.

Zy valt heur’ Vader straks te voet: —
Mijn Dochter (roept hy uit)!
Thands vorder ik gehoorzaamheid.
Wees heden Hermans bruid ! —

Mijn Vader…! Herman…! Hermansbruid!
Ach! waarom zoo gezwind?
Waar, waarom dus een hart verrast,
Dat siddert dat het mint ! —

Het mint! — Mijn Vader! — ’t Is genoeg:
Mijn hoop heeft my verran.
Zoo Hermans hand u haatlijk is,
Ga, neem den sluier aan.

Gy, Herman! ’k vraag mijn woord terug.
Mijn zoetste hoop heeft uit,
Mijn uitzicht op een Nageslacht!
Nooit wordt mijn Dochter Bruid. —

Mijn Vader, hoor my! — ken mijn hart!
Het mint, zich-zelf ter spijt.
Maar ken de liefde die het trof,
Of zy uw’ wil bestrijd’. —

Mijn Dochter? — Vader! — ach! mijn hart;
Verwin u, wees oprecht!
Mijn liefde kwam uw wenschen voor;
Ik stem in Hermans echt. —

De jongling stort zich aan heur’ voet.
Hun traanen vloeien saam;
En ’t menschlijk heilgevoel op aard
Is hier geen bloote naam.

De Priester legt hun, hand in hand;
Spreekt zegen over ’t paar,
En de Englen roepen zegen uit,
En wappren om ’t Altaar.

Nu (zegt de Martlaar van de trouw),
Nu is mijn ziel gerust!
Nu delf men my in d’open kuil,
cIk sterf met hartelust.

Drie dagen deelt hy in de vreugd
Van ’t vieren van hun Feest:
Drie dagen deelt hy in hun heil
Met onbewolkten geest.

De vierde morgen daagt in ’t Oost :
Nu doet hy ’t juichend kroost
Een gift van alles wat hy heeft,
En smaakt een nieuwe troost.

Het vijfde licht bestijgt den trans:
Hy knielt voor ’t Outer ner,
Ontlast zijn ziel voor ’t Godlijk oog,
En keert gezuiverd wer.

Maar eindlijk steekt de zesde zon
Het hoofd ten kimmen uit:
Mijn kindren (zegt hy)! ni is ’t tijd,
Dat ik mijn hart ontsluit.

Omhelst me en drukt u aan mijn hart!
Het is de laatste keer,
Dat ik die teedre troost geniet:
Ik zie u nimmer wer.

’k Begeef u. — De Almagt blijve uw schuts,
Uw hoop en toeverlaat!
Zy zegenen u met overvloed,
En met een vruchtbaar zaad!

Neem thands het afscheid van mijn hart,
(Eens Vaders afscheid!) aan.
’k Begeef u — maar, mijn dierbaar kroost!
Maar — om ter dood te gaan.

Ge onzet u ? — Ja! ik ben gedoemd,
En gaf mijn woord van eer.
Op morgen graaft men my in ’t zand:
Op heden keere ik wer.

Ik val Jacobaas haat ten zoen,
En, offer van heur wraak:
Maar sneuvel, van my-zelv’ te vren;
En voor eene eedle zaak.

Wat schreit gy? Maakt my ’t hart niet week!
’t Behoeft geheel zijn moed;
’t Sterven is een’ Vader licht!
Maar ! — ’t scheiden van zijn bloed!

Wat klemt gy u beiden om my vast?
Werhoudt my niet, mijn kroost.
My, is ’t een plicht, ter dood te gaan
U, dat ge u-zelf vertroost!

Mijne eer, mijn trouw bleef onverlet:
! Deelt uws Vaders eer!
Op hem, die trouwe en eed betracht,
Ziet God genadig ner.

Hy loont eens Vaders deugd in ’t kroost
Het geen hy achterliet:
Gy, verbeurt door wederstand,
Verbeurt dien zegen niet!

Vaart wel! Nog eens voor ’t laatst, vaart wel!
Hy gaat, en ziet om;
En ’t Echtpaar, van hem losgescheurd,
Blijft in zijn droefheid stom.

Hy gaat. Hy vliegt naar Dordrechts wal,
Em biedt zich aan de straf:
Men delft het aardrijk voor hem op,
En hy verzinkt in ’t graf.

*   *
*

De kundige Lezer zal licht opmerken dt men het toneel der gerbeurtenis uit Schoonhoven naar Dordrecht verplaatst heeft, om redenen die een’ Dichter niet onverschillig kunnen zijn.


Aantekeningen van de dichter:

Teelt

Geslacht, volk.

Hun Heer

Graaf Willem VI.

Niet aan ’t Spinnewiel, of aan ’t spinrokken

Dat is, aan eene vrouw. Holland was, volgens hem, gelijk volgens Keizer Sigismund en de Hoeksche party in Holland, geen Spilleleen of konkelleen: en Margaretha van Henegouwen was ’er bevorens slechts door den Keizer, haar Gemaal, me verleid geworden uit ’s Keizers baatzucht en tegen recht.

En ’t lijdt een korte stoot

is rein Nederduitsch, STOOT is van den voorleden’ tijd van hy staat, hy stoet, gestaen, want dus schreef men oudtijds richtig, even als hy waadt, hy woedt, gewaden; hy draagt, hy droeg, gedragen, enz. STOND, dat gelijke beteeknis heeft, is van hy standt, hy stond, gestanden. Iets anders is STOOT van hy stoot, hy stiet, gestoten, dat Mannelijk is. Dit ons STOOT, dat niet verouderd, maar in bloeiend gebruik is, is vrouwlijk. — LIJDEN is duren. Een ander LIJDEN is voorbijgaan, en van daar de Deelwoorden geleden en verleden, dat men thands veelal voorleden schrijft.

Beiden

is wonen; waarvan in ’t Engelsch, abode, een woning, verblijf.

De sluier

naamlijk der geestelijke Dochters.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 20 september 1997