Willem Bilderdyk (1756-1831)

Graaf Floris de Vierde.

R O M A N C E.

Trompette en schalmeien
Doorklonken hof en wal:
De Ridders vloeiden samen
Op ’t daavrend Feestgeschal.

Van ’t overwelfde venster
Van Klermonts opperzaal,
Zag Blanka, de overschoone,
Den rijken wapenpraal.

Daar lag zy in het venster,
Behangen met fluweel,
In ’t midden van heur maagden,
Gedoscht in ’t aadlijk geel.

Daar stond zy voor het venster,
In hemelsblaauw gewaad,
Gelijk het korenbloemtjen
In ’t rijpend staat.

Zy droeg een gouden keten
Met diamanten boot;
Die hong van de schouders,
En wapperde in haar’ schoot.

Haar volle boezem zwoegde,
Haar nieuwsgier oog vloog rond,
Een blos besteeg haar wangen,
Een lach, haar heuschen mond.

Zy zag de fiere Ridders,
Versierd met zijde en goud;
Zy zag hun siere rossen,
Op hun berijders stout.

Zy zag die fiere rossen,
Met Korduaan getoomd,
Bekleed met purpren dekken,
Met franjen rijk omzoomd.

Zy zag de Ridders draven
Op ’t steigerende ros,
Het moedig hoofd omwemeld
Met struis- en reigerbosch.

Zy zag hun wapens blinken,
Met kleuren groots bemaald;
Hun breede bandelieren,
Beschilderd met de naald.

Zy zag de wapenschilden,
Gedragen rij aan rij,
Door rijkgedoschte knapen
In ’t blinkend eerlivrij.

Zy zag de Baanderollen
Van Graaf en Koningskind
In duizend bochten golven,
En zweven op den wind.

Haar oog begon te glanzen
Van schuldlooze vreugd,
En dwaalde, vol verrukking,
Door al de Ridderjeugd.

Ach, zeg my, riep zy driftig,
Van argwaan ongewis:
Wie onder al die Ridders
De graaf van Holland is.

Haar Ega hoort haar ’t vragen,
En ziet haar vorschend aan.
Haar mond verbleekt en siddert,
Haar hart begint te slaan.

Zy slaat haar oogen neder,
En hals en borst wordt rood:
Zy voelt haar knin schudden;
Haar leden, koud als lood.

Zy wil, maar kan niet spreken,
En ziet, noch denkt, noch hoort;
Noch weet den blik te ontduiken,
Die door haar’ boezem boort!

Zie (sprak hy, grijnzend lachend)
In gindschen Gravenstoet,
Op ’t wapenveld van goude
Dien Liebaart, rood als bloed.

Dat is de Graaf van Holland,
Die Ridder, zoo volmaakt!
Beschouw hem wel ter degen,
Want weet zijn stond genaakt.

Zoo spreekt hy en verlaat ze,
En geeft zich naar benen,
En Blanka glipt een parel
Langs wang en boezem heen.

De schoone wijkt van ’t venster,
En zet zich bevend ner:
Daar is voor Blankaas oogen
Geen feest of schouwpraal meer.

Daar breekt de gouden keten,
En schiet har in den schoot:
De steen verliest zijn’ luister,
En kondigt schrik en dood. —

In ’t midden van de Helden,
Op ’t brieschend genet,
Reed Floris blij en moedig,
Met statelijken tred.

De Schildknaap aan zijn zijde,
Droeg speer en Veldbanier,
En witgepluimde hellem
Met openstaande vizier!

Zijn helder voorhoofd glansde,
Van vreugd, van majesteit;
Zij gilt en liet het leven;
En 't zwart tooneeldoek valt.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 20 september 1997