Willem Bilderdyk (1756-1831)

Kroma.

GEZANG VAN OSSIAAN.

Ja, ’t was de stem van mijn Geliefde!
Ach! zelden komt me uw stem in droomgezichten voor,
Oskar! Lieflijk zuist ze in mijn bedwelmd gehoor,
En wergalmt in het hart, dat ge eens voor eeuwig griefde.
Ontsluit uw Wolkenzalen, kom,
Toskars Vaadrenvloet, ontzachlijk Geestendom,
Bonst, bonst uw poorten los! ontsluit uw neveldeuren!
Malvina nadert u — zy strekt haar handen uit
Naar ’t tot haar roepend stemgeluid.
Het huppelt in heur borst om zich aan de aard te ontscheuren.
Wat kwaamt ge, schemerdamp van ’t ongenaakbaar meir,
Op mijne legerstede ner!
Het ruischen van uw vlerk bewoog de popelboomen,
En ’t nachtgezicht verdween met sluimering en droomen;
Maar ’k zag mijn dierbre mog wanneer zijn neevlig kleed
Zich uitspreide op den wind. Een zoom van zonneglansen
Omboordde ’t met een’ gloed als ’t goud der hemeltransen,
Wen ’t morgenlicht te voorschijn treedt.
Ja, ’t was uw stem, mijn Geliefde!
Uw stem was ’t, die my ’t hart doorsneed.

   Daar woont gy, in dit teder harte,
Dat eindloos naar u hijgt, zoon van Ossiaan!
Met elken straal van ’t Oost verrijst de zucht der smarte;
Met elken avonddrop valt de onverdroogbre traan!
’k Was aan uw zij, roem der helden,
Een mayplant, rijk van schittrend loof:
Uw dood strooide als eer: storm, mijn takken langs de velden
En gaf mijn groenend hoofd aan ’t vuig gewormt’ ten roof.
De Lente keerde, en bracht den regen,
Den vruchtbren regen, wer op ’t kruid:
Mijn loovrenkroon in ’t stof gezegen,
Bot in geen frissche scheutjens uit.
De Maagden zagen my met ongevlochten hairen,
En zwijgend smoren in verdriet.
Zij tokkelden de vreugdesnaren,
Maar ’t trof Malvinaas harte niet.
De tranen stroomden langs mijn wangen;
Zy zagen ze op mijn boezem hangen,
En riepen: Waartoe zoo bedrukt?
Als was hy als het staatlijk pralen
Der eerst ontwaakte morgenstralen,
Hy is voor eeuwig weggerukt!

   Behaaglijk is uw stem in ’t oor van Ossiaan,
Eer van Luthaas blonde stroomen!
Voorzeker hebt ge in zoete droomen
Der oude Barden zang verstaan:
Wen ge ingesluimerd op ’t geklater
Van Moruths oorverdovend water
’t Aanminnig hoofd te rusten lagt!
Of wen ge, by de middagstralen,
Vermoeid de heiden langs te dwalen;
U nedervlijde van de jacht!
Voorzeker hebt ge in zoete droomen
Der oude Barden zang vernomen,
En ons, vertederd, wergebracht!

   Vertederd? Ja, uw teedre toonen
Versmelten my ’t aandoenlijk hart.
Wat steekt ’er zoetheid in de smart,
Waar rust en deugd de borst bewoonen!
Doch weemoed breekt de dagen af,
En kort den korten weg naar ’t graf.

   De droeve welkt in ’t eerste bloeien,
Gelijk een bloem door ’t zonneschroeien,
Na de overstelping van den daauw.
Het moede hoofd begint te nijgen,
De slappe stengel ner te zijgen,
En ’t saamgerimpeld blad wordt graauw.
Maar, laat een’ wijl uw zangdrift varen,
Minnelijke zangheldin!
En schenk uw aandacht aan mijn snaren!
Ik zing den roem van vroeger jaren;
Zy houden ’t zoet mijns levens in!

   De Koning heerschte, en ik, met uitgespannen doeken,
Ging dwars door ’t golvend diep de baai van Kroma zoeken.
Die stille en zeekre ree van ’t lieflijk Inisal!
Ik land, en berg mijn boot aan ’s eilands steilen wal.
De burcht van Kromaas Vorst verhief zich voor mijne oogen:
Van Krothar, in zijn jeugd beroemd in ’t ooreloogen.
Maar thands had de ouderdom zijn strijdbre vuist verslapt,
en Rothmar d’achtbren Vorst op ’t edel hart getrapt.
Het wetloos lemmer blonk. Van ongeduld aan ’t blaken,
Zond Fingal me, om een eind aan ’t ongelijk te maken,
Want de eedle Grijsaart was zijn halsvriend van voorlang.
Ik zond den Bard vooruit met vrede en welkomzang.
Ik volgde; en vond den Vorst in Koninklijken luister
Gezeten in zijn Hal, maar ’t vriendlijk oog was duister.
Een grijs doch kronklend hair hing tot zijn schouders af,
En de opgeheven arm boog leunende om zijn’ staf.
Hy neuride op den trant van de oude Legerwijzen,
Wen ’t kleppren van mijn’ tred hem staatlijk op deed rijzen.
Hy reikt my de armen toe, reeds bevende en verstramd,
En zegent me als een spruit, uit Tremmor afgestamd.

    De kracht, Ossiaan (dus vangt hy aan te spreken)!
De kracht van Krothars jeugd is uit zijn ’arm geweken.
Dat ik ’t oorlogszwaard dit tijdstip voeren mocht,
Als toen, wen Morvens Vorst op Struthaas boorden vocht!
Hy was in ’t oorlogsveld alleen de roem der Helden,
Maar Krothar plach men ook by de oorlogsbloem te melden.
Zelfs Fingal gaf my lof, en schonk my ’t ijzren schild,
(Dat naauwlijks n misschien van de aard had opgetild)
’t Geen strijdbre Kathar droeg, door zijnen arm verslagen.
Helaas! ik heb het steeds den held ter eer’ gedragen,
Thands hangt het aan den wand by ’t uitgediend geweer!
Beschouwt gy ’t, jeugdige held? Want Krothars ziet niet meer.
Doch geef me uw’ arm’ mijn Zoon! Bezit gy de eigen krachten,
Die de afkomst uit den held van Morven doet verwachten?

   Ik bied mijn’arm hem aan. Met ongewisse hand
Betast hy me, en beproeft hoe spier en vezel spant.
Een zucht ontglipt zijn borst, een traan ontvalt zijn oogen:
Uw sterkte is groot, mijn Zoon! (dus spreekt hy, teer bewogen)
Ze is groot, maar niet als die, die Fingal onderscheidt.
Doch, wie gelijkt dien held in kracht en dapperheid! —
Men richtte ’t feestmaal aan, en stemm’ de tafelzangen!
Groot is hy, Kromaas Volk, dien we in mijn hof ontvangen.

   De feestdisch wordt gespreid, de blijde harptoon klinkt.
Maar ’t was een kwijnend licht dat op een’ nevel blinkt.
Die vreugd verborg een smart in ’t hart der dischgenooten,
Uit voeglijkheid gesmoord en in de borst besloten,
In ’t eind, de zangtoon zweeg; de Koning vatte ’t woord;
Geen traan, maar ’t diepst gevoel brak in zijn rede voort.

    Licht kunt ge, Fingals Zoon, een heilijk boezemtreuren
In ’t midden van de vreugd van Krothars hart bespeuren.
Nooit vreemdling zag me ontroerd by ’t zangrig vreugdemaal,
Maar heel mijn ziel nam deel in ’t vrolijk gastonthaal,
Zoo lang de bloem mijns Volks by zoo veel honderdtallen,
Zoo lang mijn dierbre Zoon door ’t zwaard niet was gevallen.
Mijn Zoon, Ossiaan! mijn Fovargormo! — Ja,
Zijn glans verdween van de aard en liet geen schijnsel na!
Hy viel in ’t oorlogsveld, in ’t strijden voor zijn’ Vader;
En, met hem, al mijn hoop, en al mijn troost te gader!
De snoode Rothmar hoort, van Tromloos groene kust,
Hoe ’t noodlot me in mijn hal gedoemde had tot de rust.
Straks rukt de booswich aan, en zoekt my ’t rijk te ontrukken,
En houwt, in d’eersten slag mijn legermacht in stukken.
Ik greep de wapens aan; maar ’t faalt mij aan ’t gezicht,
Wat kon ik? ijdle drift! mijn oog verloor zijn licht.
Mijn voeten struikelen, gebonden zijn mijn handen,
En tasten wild in ’t rond of klemmen aan de wanden.
Hoe leed, hoe zuchte ik toen! hoe wenschte ik me in den tijd,
Toen zege en oorlogsroem my toelachte in den strijd!
Maar ach! vergeefsche zucht! — Mijn zoon komt wer van ’t jagen.
Zijn nog te jeugdige arm had nooit een schild gedragen,
Nooit oorlogsspeer gedrild: maar ’s jonglings hart was fier,
En ’t blozend voorhoofd glom van ’t edelst heldenvier.
Hy zag zijns Vaders nood en ijdle moedbetooning;
Hy zuchtte, en, diep geroerd : Helaas, bedrukte Koning!
Zoo hebt ge dan geen’ zoon? of is mijn arm te zwak
Om voor uw recht te staan? dus was het, dat hy sprak.
Mijn vader, zucht niet, neen! ’k begin mijn kracht te voelen:
Ik voel ze in ’t bruischend bloed door borst een aadren woelen,
Reeds heb ik ’t zwaard beproef en tegen ’t zwaard gekruisd,
En zelfs de Legerboog gespannen in de vuist.
Laat my met uw volk den vijand tegentreden,
Mijn vader! ’k smeekt het u; vergun my deze beden? —

    Gy zult, dus antwoordde ik, blinden Krothars zoon!
Die eedle heldenmoed is by uw jonkheid schoon.
Doch waag aan ’s Legers spits u-zelv’ niet onbezonnen,
Waar andren in den nood u niet ontzetten konnen!
Maak, dat mijn luistrend oor uw voetstap wer verneemt:
Mijn ook vermag het niet, het daglicht werd my vreemd!
    De Jongling ging, en streed, en keerde nimmer weder.
Een slag van Rothmars arm nieuw ’t jeugdig spruitjen neder.
Zijn moorder nadert thands met heel zijn talrijk heir.

   Hier zweeg hy. — ’k Zwol van woede en tastte naar de speer.
’t Is (sprak ik) hier geen tijd voor wijn en feestvermaken.
Mijn krijgsvolk zag my ’t vuur in oog en voorhoofd blaken;
’t Rees alles om my heen. In werwil van de nacht
Begeven we ons op marsch waar ons de glorei wacht.

   De morgen graauwde in ’t Oost met nevels overtogen.
Een eng en grazig dal ontdekt zich aan onze oogen,
Doorkronkeld van een’ stroom die langs de velden schiet.
Daar had zich Rothmans heir gelegerd aan den vliet.
De schittring van het licht op wapentuig en lansen
Scheen aaklig van omlaag by de eerste morgenglansen:
Wy vallen ’t machtig heir in dees zijn leegring aan.
’t Vliedt alles, buiten staat, mijn slagorde af te slaan.
De snoode Rothmar-zelf stort neder voor mijn’ degen.
De zon besteeg de kim en zag mijn’ Oorlogszegen,
En naauw verloor zij zich in ’t scheemrend avondrood,
Wanneer ik Komaas Vorst zijns vijands wapens bood.
De held betast den helm en weegt hem met zijn handen,
En ’t diepst gevoel van vreugd beroert zijne ingewanden.

   Men vloeit naar Kromaas hal, de berkemeier klinkt.
Men stemt een’ harptoon aan, die door de wolken dringt.
Vijf Barden treeden voort met beurtelingsche zangen,
En rukken Fingals zoon de tranen op de wangen.
Hoe storten ze in zijn’ lof hun zielen vlammende uit!
De harpsnaar andtwoordt, en versmelt zich in ’t geluid!
De vrede werd hersteld, de blijdschap kent geen zorgen:
De nachtrust ademt vreugd: de vreugd verrast den morgen;
Men weet van wapenkreet noch glinstring van geweer:
De blijdschap is volmaakt, want Rothmar is niet meer.

   Ik hief den treurzang aan op Fovargormoos sneven,
Wanneer men ’t jeugdig lijk aan de aarde wer zou geven.
De grijze Krothar stond by ’t plechtig rouwgebaar,
Maar niemand werd een zucht van ’t lijdend hart gewaar.
Hy voelde naar de wond des Jonglings, en hy beefde:
Hy vond haar in de borst, en al zijn vreugd herleefde!
Hy kwam en sprak mij aan: Mijn zoon, Oorlogsheld,
Is vroeg, maar niet onteerd, noch zonder roem geveld.
De Jongling vlood niet, neen! Hy heeft den dood bejegend
Als Krijgsman, onverwrikt en strijdende. — Gezegend,
Die sneuvelde in zijn jeugd, met zulk eene eer gekroond!
Geen lafaart, die hem ooit in ’t siddrend aanschijn hoont.
Zijn lof zal heinde en verr’ van alle lippen vloeien!
De traan van ’t Maagdlijk oog zijn overschot besproeien!
Maar ach! de Grijzaart welkt gelijk een dorre loot:
De glorie van zijn jeugd vergaat reeds voor zijn dood.
Hy sneuvelt onbemerkt, van al wat leeft vergeten.
Zijn lijk wordt onbescheid in ’t eenzaam graf gemeten.
Zijn grafzerk hoort geen klacht, maar ’t hupplen van de vreugd!
Gezegend, die met roem mocht sterven in zijn jeugd ! —

      1803.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 19 september 1997