Willem Bilderdyk (1756-1831)

Oithona.

GEZANG VAN OSSIAN.

Een dichte nevel houdt Dunlathmon overtogen.
De maan vertoont zich half en wendt heur blakende oogen
Ter zij’, van doodschen schrik voor ’t naadrend ongeval.
De Zoon van Morni stapt door ’t stil een eenzaam dal.
De feesthal galmt geen vreugd. Geen troostrijk luchtgeflonker
Schiet zelfs een’ enklen straal, die de oogen treft in ’t donker.
Men hoort door ’t dof gebruisch van ’s Landstrooms zilvren vliet
Oithonaas teedre stem uit haar gewelven niet.
Waar zijt ge, Nuaths telg! waar zijt gy heen geweken?
Wat dreef u, ’t heilig woord dat gy my zwoert, te breken?
Uw Vader is in ’t veld — en gy verlaat dit oord,
Waar ge op my toeven zoudt naar uw gegeven woord!
Ja, riept ge! ik blijf u hier van Strumons boord verbeiden.
De traan bedaauwde uw wang by ons aandoenlijk scheiden:
Een zucht ontglipte uw borst: en ik, ik keer werom,
En zang en harpmuzijk zijn by mijn aankomst stom !

   Dus luidde Gals taal, wen hy de steile toren
Van Lathmons burcht genaakte, in diep gepeins verloren.
De poort stond open, en ’t was duister, overal.
De winden ritslenden door feest- en wapenhal.
De drempel was bestrooid met afgevallen bladeren;
En ’t gure herfstgeblaas joeg ijzing door zijne aderen.
De Jongling zet zich nerm, stilzwijgende en benard,
En de angst voor die hy mint, slaat siddrende in zijn hart.
Waar wendt, waar keert hy zich in deze onzekerheden!
Waar vindt hy ’t dierbaar pand, zoo vurig aangebeden!
De strijdbre Morlo kwam, zijn wakkre tochtgenoot,
En hoorde d’Oostwind die door zijn lokken schoot,
Maar deinsde zwijgende af. Hy zag zijn’ halsvriend treuren,
En schroomde, de open wond nog dieper op te scheuren.

   De sluimring daalde nu op ’t leegrend oorlogsvolk,
En droom en nachtgezicht verrezen uit hun kolk.
Hy sliep. Oithonaas beeld verscheen voor ’s Jonglings oogen.
Heur hair hong los om ’t hoofd, als uit den band gevlogen.
Heur zacht, heur minlijk oog zonk weg in tranenvloed:
Heur sneeuwitte arm was bloot en overspat met bloed:
Het kleed ontdekte een borst, met wonden opgereten:
Heur stem smoorde in de keel, als ware ’t, heesch gekreten.
Zy zag hem treurende aan. Slaapt Mornis dappre Zoon ? —
Hy, in Oithonaas oog zoo minlijk en zoo schoon ! —
Oithona geeft den geest, en Mornis Zoon kan rusten ! —
De golf des Oceaans omspoelt Tromarthons kusten —
Daar zit ik, in ’t gebergt’, versmeltende in geween —
Gekerkerd, Gal, ja — en hemel! niet alleen ! —
Neen, Godals Vorst bewaakt me, en dringt zich, dol van minne,
Met gruwbre wreedheid op aan Gals zielsvriendinne.
Wat kan de onnoosle doen! — Gal, spoed en red !
Ontruk me aan ’s roovers macht en aan zijn eerloos bed!

   Een ruwer windvlaag bruischt door eik en popelboomen,
En ’t nachtgezicht verdwijnt. Zijn slaap is weggenomen.
Hy neemt zijne esschen speer. In snerpend ongeduld,
Vraagt zijn ontzachlijk oog, van bliksemgloed vervuld,
Den dag aan ’t dralend Oost. Hy vloekt den tragen morgen,
Die eindloos achterblijft, gevoelloos voor zijn zorgen.
In ’t eind verschijnt het licht. — De Winden zetten op
Van ’t hooge duingebergt’. Hy hijst het zeil in top,
En streedt door ’t golvend diep. Op ’t derde morgenklaren
Verheft Tromarthons kust heur aanschijn uit de baren,
Een blaauwend schild gelijk, van builen hobblig rond.
De slag der golven breekt op ’s eilands steenrotsgrond.
Oithona zat aan ’t strand, van rotsen ingesloten:
Zy zag naar ’t wentlend mer, terwijl haar tranen vloten,
Maar, als de ontroerend held in ’t harnas voor haar staat,
Zoo vliegt zy schrikkende op, met afgewend gelaat;
Haar hals en voorhoofd bloost, haar holle kaken gloeien,
En de arm schijnt langs haar heup, als ware ’t, ner te vloeien,
Tot driewerf poogt zy zich te bergen met de vlucht;
Tot driewerf wankt heur voet, ontzenuwd met een zucht.

    Wat vliedt gy (sprak de held) voor Gal, dierbre schoone!
Of voert zijn oog den dood in ’t hart van zijne Oithone?
Is ’t haat, waar van het blinkt! — Minnelijke maagd,
Gy zijt me een morgenlicht, dat van den hemel daagt!
Maar ach! gy hult uw oog in biggelende tranen!
Is uw verdrukker hier? of wat, wat moet ik wanen!
Mijn boezem blaakt van spijt, van liefde, en razerny.
En ’k voel het hunkrend zwaard, dat aanklopt aan mijn zij’,
Spreek, Nuaths dochter, spreek! of zien uw minlijke oogen
De tranen die ik stort, onvatbaar voor medogen?

    Wat koomt gy (sprak ze en weende), Strumons dierbre held,
Om Nuaths redloos kroost door golf en dood gesneld?
Ach! mocht ik aan ’t gezicht van al wat leeft ontscholen,
Hier onbemerkt vergaan in ongenaakbre holen,
Als ’t bloemtjen, dat zijn hoofd uit de open rotsspleet beurt,
En ongezien verwelkt, verbloeid en afgetreurd!
Wat kwaamt ge om aan dit strand mijn zuchten aan te hooren?
Ach! laat me ’er ongezien, vergeten, in versmoren!
Mijns levens morgenstond was tot dit lot gedoemd.
Mijn bloote naam wordt zelfs van niemand meer genoemd.
Dan neen! hy wordt gewis het aardrijk rondgedragen,
Maar om mijns vaders hart een moordpriem in te jagen!
Gy zelf zult treuren, ja, als uwe Oithona sneeft,
Om de oneer, die voortaan op haar gedachtnis kleeft.
Maar verre van de stem die om heur lot moog klagen,
Zal ze in den schoot der rust onschuld met zich dragen.
Wat kwaamt ge. Strumons held, aan dit onzalig strand ?

   Hy antwoordt: ’k Koom ter straff’ van Godals dwingeland.
Zijn dood zweeft door mijn brein, mijn woedend brein! ’k wil sneven,
Of ’k zal den onverlaat den wissen doodsteek geven.
Oithona! wen ik valle, sticht mijn koud gebeent’
Een teeken aan den voet van ’t gindsche rotsgesteent’:
En wen een hobblend schip voorby dit strand zal varen,
Zoo wenk het zeevolk toe en roep hen uit de baren.
En, nadren zij de kust, o geef hun dit mijn zwaard,
Dat Morni ’t pand herkenne en ’t lot zijns zoons ervaart:
Dat de afgeleefde vorst dan eindlijk op moog houen
Van langer om dien zoon naar ’t bergdal heen te schouwen !

    Ik leven! (zucht de maagd, uit ’t innigst van heur ziel:)
Ik leven aan dit strand; als Strumons krijgsheld viel!
Helaas! zoo waar mijn hart gevormd uit deze rotsen,
Mijn ziel, als deze zee die we om heur voet zien klotsen,
De stormwind die u velt, slaat ook mijn bladers af!
Wy zullen be te gar verwelken in het graf!
Gal, ’t graf is zoet: de doodzerk streelt my ’t harte;
En nooit verlate ik u, tuige van mijn smarte,
Omgolfd Tromarthon, en gy rotsen, die my hoort!
    De duisternis der nacht kwam uit heur’ afgrond voort,
Als Lathmon tot den krijg zijns vaders heengetogen,
My argloos achterliet in mijn gewelfde bogen.
’t Was donker! ’k zat gerust by ’t vlammende eikenhout,
En luistrend naar ’t gedreun der stormwinds door het woud.
’k Hoor waapnen! ’k geef een’ schreeuw, bevangen van de vreugde!
Ik waande u wer te zien, ziedaar wat my verheugde!
Ik trad ter slotpoorte uit — hoe deerlijk zag ik op!
’t Was Godals grimmig Hoofd, met rondgebarden kop,
Het oog van woede ontvlamd. Ik zie hem nader treden,
Gants druipende van ’t bloed van hun die voor mij streden.
’t Valt alles voor zijn zwaard, wat my te hulpe vloog.
Wat kon ik? ach, mijn arm hief nooit een speer omhoog.
Hy grijpt me, en sleept my heen, schoon worstlende in zijne armen.
Hij steekt de kiel van land, in werwil van mijn kermen,
Voor Lathmons wederkomst in ’t eerloos hart bedugt,
En voert me in dit verblijf, omringd van zee en lucht.
Maar ’k zie hem naadren met zijn Krijgsvolk! zie my beven;
Het stuivend waterschuim vliegt bruischend voor zijn steven.
Waar wijkt ge, Mornis zoon, in dees verwarring heen?
Zijn benden zijn te sterk, te ontzachlijk op de been.

    Nooit week ik (sprak de Held) wen ’t aankwam om te strijden,
(En toonde ’t bloote staal.) — Oithona! ’k zie u lijden,
Uw vijand nadert my, en ik zou siddren? Ach! —
Ga dierbre, hou slechts moed tot de uitkomst van den slag!
Gy dappre Morlo, kom! breng hier de taaie bogen
Der vaadren, goed geproefd in vijftig oorelogen,
Breng Mornis pijlbus hier, die rammelde aan zijn zij’,
Plaats onze krijgers daar, u-zelven nevens my.
Laat dit ons klein getal den taaien ijfel krommen;
Wy vallen met de speer op ’s vijands legerdrommen.
Zy dekken ons de rug, van ’t rijzig berggevaart’!
De heirspits zijn wy zelf, heel een leger waard!

   Oithona week ter zij’. Een vonkjen van genoegen
Ontgloorde in ’t zuchtend hart, in ’t midden van zijn zwoegen,
Den flaauwen glans gelijk die ’t donderwolkjen boort.
Uit haar verwilderd oog brak nu geen traan meer voort;
Haar ziel verhardde zich, getroost haar lot te dragen:
Als midden in zijn heir Dunrommath op kwam dagen.
Hy zag de strijdbre twee, gereed hem ’t spits te bin.
Een stijfgedwongen lach deed zijn verachting zien;
Zijn voorhoofd ’t grimmig oog, dat op hen scheen te staren.

   Van waar die zeelin toch (dus sprak hy, gram te mo)?
Dreef u de ontstuime wind naar deze rotsen toe?
Of koomt ge om aan dit strand de schoone maagd te zoeken?
Rampzalig! die, wie ’t zij, Dunrothman wil verkloeken!
Hy spaart d’onwerbre niet, maar schept vermaak in ’t bloed,
En wee hem, die den slag van zijnen arm ontmoet!
Oithona is mijn roof; zy doet mijn’ boezem gloren,
En koomt gij, als een wolk, mijn’ zonneschijn verstoren?
Vermeetlen, waagt het niet; ontziet mijn eigendom!
Of nimmer ziet ge op aard uws vaders huis werom.

    Kent gy me, Godals Hoofd? Of hebt gy reeds vergeten,
Dus antwoordt Mornis Zoon) wie Gal zij geheeten?
Ik ken u! Vlug van voet, wen ’t zwaard u achterhaalt,
Ontvloodt ge aan d’eigen kling, die in mijn handen praalt.
Herdenk aan Morvens kust en Lathmons dappre slagen,
Vermeetle, groot van moed om hinden na te jagen!
Thands voert ge een hooge taal, van heel uw heir omringd;
Maar vreeze ik voor uw macht zoo lang dit wapen blinkt!

   Hy zwijgt. Dunrommath grijnst, maar ziet hem tot zich treden,
Deinst naar zijn volk terug, en achter hun geleden.
Vergeefs! des jonglings speer doorboort hem ’t ingewand,
En ’t zwaard ontrukt hem ’t hoofd, nog krimpend in het zand.
Hy schudde ’t met de hand nog driewerf by de hairen,
En toonde ’t bleek gelaat aan Godals oorlogsscharen.
Zy vlin; maar achterhaald door Mornis schutgeweer,
en storten, hoop by hoop, op ’t klinkend steengruis ner.
Het overschot ontvlucht, en laat de zeilen zwellen,
Om over ’t bruischend meir de schicht des doods te ontsnellen.
Nu roept de dappre held, herwinnaar van zijn bruid,
Oithona! met een’ kreet van liefde en blijdschap uit.
Oithona! keer, keer! de vijand is verdwenen.
Hy ziet een jeugdig’ held zich aan een’ rotsklomp lenen.
Een pijl stak uit zijn zij’ : zijn machtloos hart bezweek,
En ’t half bedekt gelaat vertoonde een doodlijk bleek.
De ziel van Mornis zoon gevoelt zich ter bewogen.
    Zou (zegt hy) Gals hand uw wonden heelen mogen,
Bedrukte Jongling? spreek; of is u ’t hart doorboord?
Ik heb in ’t steil gebert’ de kruiden nagespoord:
Ik heb ze in ’t morgenuur gezameld aan de stroomen.
Mijn hulp is meer dan eens met blijdschap aangenomen,
En braven dankten ’t licht aan mijne ervarenis —
Wie zijt ge, jeugdig held, wiens lot my dierbaar is?
Helaas! ’k gevoel dat lot! In ’t bloeien van uw dagen,
Zal huis en Vaderland uw vroege dood beklagen!

    Mijn Vaders (andwoordt hem de droeve Jongeling,)
Zijn machtig en van roem en afkomst niet gering.
Maar nimmer zal mijn graf een’ traan van hun verwerven:
Mijne eere is weg van my — niets rest my dan te sterven.
Duvrannaas oever torscht een hoogen torenwal,
Omspiegeld vna heur’ stroom, en heerschende over ’t dal.
Een hemelhooge rots, begroeid met spitsche dennen
Doet zich van achter ’t slot op verren afstand kennen.
Daar woont mijn naaste Maag, een roemrijk Oorlogsheld:
Geef hem dees koopren helm! — ik heb genoeg gemeld. —

   De helm ontviel zijn hand. — Helaas! het was Oithona,
Die in zijne armen zeeg, de teedre! de overschoone!
Zy week naar ’t grotgebergt’ en schoot dees wapens aan,
En keerde, en zocht den dood, en had hem ondergaan —
Nog scheen haar brekend oog, zoo lang haar ’t bloed bleef vlieten,
Op Mornis dappren zoon een’ teedren lonk te schieten.
Gal, delf me een graf (dit was heur laatste taal)
Dit hart is ’t uwe alleen zoo lang ik ademhaal.
Ach! stierve ik, van den glans der maagdelijke eer omschenen,
En mocht een maagdlijk oog mijn droevig lot beweenen!
Maar ach! Ik sterf versmaad, ontbloot van alle troots,
En laat een’ Vader na, die om zijn dochter bloost.

   Nu viel ze in ’t dorre zand; heur adem was geweken.
De Krijgsheld delft haar ’t graf, en stelt het grafkuilteeken.
Hy kwam aan Morvens kust; de droefheid van zijn hart
Was zichtbaar, en zijn oog verduisterde in de smart.
Ik greep de Dichtharp aan tot lof van zijne Oithone;
De glans keert wer in ’t oog en op de ontverfde kone!
Een diepe zucht nochthands die uit zijn’ boezem welt,
Toont d’ongeneesbren rouw die ’t lijdend hart beknelt.
Zoo heft, wanneer de storm zijn ketens uitgebroken,
In ’t eind tot kalmte koomt en ’t hooft heeft nergedoken,
Een enkle windvlaag nog zijn vlerkjens in de lucht.
Maar ach! die windvlaag bleef tot ’s Jonglings laatste zucht!

      1803.


Aantekeningen van de dichter.

Lathmon Oithonaas Broeder.
onze krijgers Zy waren drie in getal.

E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 20 september 1997