Willem Bilderdyk (1756-1831)

Polyfeem :

H E R D E R S Z A N G

Theokrites nagevolgd.

Nicias, daar is geene andere artseny
Tot stilling van de min, dan teedre Pozy.
Die heeft alleen de kracht, de zorg van ’t hart te heffen:
Maar wien gelukt het licht, die toovertoon te treffen,
Die ’t wederspannig hart met zachten dwang bekruipt,
En als een hemelblaauw in de open wonde druipt!
Doch gy, gy weet dit, Arts, en vriend der zanggodinnen,
En kundig; wat het zij, wanneer men voelt te minnen!
’t Was dus, dat Polyfeem door d’invloed van den zang,
Wen, ’t eerste dons der jeugd ontluikend op zijn wang,
De dartle Galathee zijn minnevlam belachte,
Op dit ons strandgebergt’ zijn boezemwee verzachtte.
Zijn liefde blonk niet uit in puikgebloemte of ooft,
Noch ongewonen zwier der lokken om zijn hoofd;
Maar door de hevigheid van heur verwoede vlagen.
Hy minde, en voelde ’t vuur zijn ingewand doorknagen,
Vergat wat om hem was, en walgde van ’t heelal.
Vaak keerde ’t wollog vee, des avonds laat, naar stal,
Van zelfs en onverzeld van hoeder of geleide,
Daar hy op ’t vlotte strand den middag nog verbeidde,
En, de oogen uitgestrekt naar ’t onafmeetbre diep,
Sints de aanbraak van den dag om Galathea riep,
In mijmering verdiept en met de pijl in ’t harte.
Toch vond hy midlerwijl den balsem voor zijn smarte,
En, zittende op een spits van de afgebroken rots,
Hief hy dees Veldzang aan, het golfgehuil ten trots.

    Blanke Galathee, wat spot gy met mijn minnen!
Gy, dartler dan het kalf en even los van zinnen!
Gy, teerder dan ’t gebeent’ van ’t eerstgeworpen lam,
En blanker dan de melk! wat spot gy met mijn vlam!
Wen my de sluimring boeit, verschijnt gy op de stranden:
’k Ontwaak, en gy, gy vlucht met opgeheven handen
Als of ’t verwoedst gedrocht u op de hielen zit,
En sneller dan een lam voor ’t scheurziek wolfsgebit.
’k Heb, schoone, u reeds bemind, wanneer gy langs de heide
U aan mijn moeders hand in speelsche lust vermeidde,
En veldviolen zocht, daar in uw leidsman was.
Hoe werd mijn borst geroerd, hoe trilde ik op dat pas!
En ach! die teedre gloed is me immer bygebleven,
En wil me, uw’ hoon ten spijt, ook nog zelfs niet begeven.
’k Weet, minlijk Maagdelijn, waarom gy voor my vliedt.
Is ’t om den ruigen braam van dees mijn wenkbrauw niet,
Die heel mijn voorhoofd boordt met borstelige hairen,
En dit mijn eenigst oog dat op uw schoon mag staren?
Of ’t grove neusgestel, nog breeder dan mijn mond?
Maar, zoo misvormd ik ben, ik denkden heuvelgrond
Met wol- en zuivelfee. Ik wel ontelbre schapen,
En speel een beter fluit dan een der Herdersknapen,
Drink d’allerbesten room, en heb geen ding gebrek.
Mijn korven staan gevuld en nimmer leg op ’t rek.
En maakte ik u, mijn Beeld, door mijn welluidend zingen,
Niet, als my-zelv’, beroemd by Bosch- en Veldelingen!
Ja dikwerv’ zelfs in ’t holst van de aakligheid der nacht
Klonk u mijn lied ter eer’. Als vrucht van mijn Jacht
Voede ik een’ Veldtroep op van dertien jonge hinden,
Al, tierig en met jong: wat kunt ge schooner vinden!
En, ’t geen nog vreemder is, vier welpen van een beer.
Kom tot my, ’k schenk ze aan u, en nog oneindig meer.
Kom, schoone, en laat de golf het woeste strand besprengen!
’t Is zoeter, in mijn grot de machten door te brengen,
Met lauwren, en cypres, en eiloof overdekt,
Daar zich de wijngaardrank langs wand en welfsel strekt,
Met druif en muskadel op ’t rijklijkst overladen;
En daar u ’t frissche vocht van Etnaas bronnajaden,
Zoo koel gelijk de sneeuw die van heur’ bergtop schiet,
Een’ Goddelijken dronk in ’t helderst water biedt.
Wie koos voor zulk genot in zee en golf te plasschen?
Of vreest gy ’t borstig ruig, waar me ik ben bewassen?
Welaan! ’k heb eikenhout, en kolen op den haard;
Verschroei my, ’k sta het toe, de wortels van den baard;
Ja, dit mijn eenig oog, my ’t allerliefste op aarde!
Ik lijde ’t, en met vreugd, van uwe hand, mijn Waarde.
Ach! dat mijn Moeder my met vinnen had gebaard,
En ware ik niet geboeid aan dees ongunstige aard,
Hoe zwom ik naar u toe, en kuste u be de handen
Zoo gy me uw’ mond ontheildt. Ik voerde u van de stranden
Of blanke lelyen, of roode veldpeoon
(Want de eene is Zomerpracht, en de andre Winterschoon
En beide laten zich niet teffens samenparen)
Met wat het Jaarsaizoen my toeliet, door de baren.
Maar ’k wil my oefenen in ’t zwemmen, schoone maagd,
Zoo wete ik, wat u toch in ’t water zoo behaagt!
Laat slechts een vreemde hulk naar onze kusten spoeden,
Geloofme, ik ben u by, eer dat gy ’t kunt vermoeden.
Doch neen! verlaat, verlaat lieve Galathee,
Vergeet (zoo doe ik thands) uw woonplaats, en de zee!
Leer met my ’t wollig vee langs onze heuvels weiden,
En ’t vette van de melk van wei en water scheiden!
De room zal zoeter zijn, door uwe hand bereid.
Maar ach! wat treure ik me af in dees mistroostigheid!
Mijn moeder draagt de schuld; zy ziet mijn’ boezem koken,
En nooit heeft ze iets by u ter mijner baat gesproken,
Maar laat me in volle vlam, verteerende in mijn pijn.
Neen, Moeder, ’t veins my krank, gy zult het met my zijn!

   Doch, Herder waar, waarheen is uw verstand gevlogen?
Wat zit ge een’ gantschen dag hier over ’t meir gebogen?
’t Waar beter, dat ge in huis uw teenen krofjens vlocht,
Of jeugdig boomloof sneedt, en aan uw lamm’ren brocht.
Grijp, wat bereikbaar is; maar loop in wilde droomen,
Geen meisjen, dat u eens in afkeer heeft genomen,
Met ijdel jamm’ren na! Zy vliede en duike in zee,
Licht vindt geen eene andre, licht een schooner Galathee!
De Meisjens lachen u van alle zijden tegen,
En geene ontzeide u ooit om kortswijl me te plegen.
Voorzeker, ’t ga hoe ’t wil, ’k verbeeld me ook iets te zijn.

   Dus vondt ge, Polyfeem, uw liefdes medecijn.

      1804.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 21 september 1997