Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Nacht:

BARDENWEDZANG.

UIT HET SCHOTSCH.

   ’t Was nacht. De Huisvoogd zat by ’t lieflijk haardstevuur,
Vijf Zangers, arm van kunst, maar Dichters van natuur,
Die in ’t herbergzaam dak ’t genot der huisrust smaakten,
Daar ’t stormwer gierde en loeide, en dak en venster kraakten,
Tot de opkomst van de maan de kalmte wederbracht,
Bezongen de aaklighen,, de schoonhen van de nacht;
En hy door ’t vuur ontfonkt dat schitterde in hun zangen,
Zong zelf in zijn’ gasten toe, van d’eigen drift bevangen.

EERSTE BARD.

Hoe duister is de nacht! hoe vol van aakligheden!
De nevels dalen van den bergtop naar beneden!
Geen star, die ’t vonklend licht door ’t trillend nachtfloers schiet!
Geen scheemring van de maan, die uit de wolken ziet!
’k Hoor wind en stormgeweld door woud en pijboom bruizen,
Maar ’k hoor ’t, als verr’ van hier, met dof en dompig zuizen.
De bergstroom klatert, maar dit klaatren komt van ’t dal
Met aaklige echoos wer, door ’t knappende uilgeknal,
Dat uit den hollen tronk der dorre grafabeelen
Den nachtraaf toeroept, om zijn schriklied na te kwelen.
Ik zie een scheemring die daar voor my zweeft: — zy staat ! —
Ik zie ’t, het is een geest in ’t dunne luchtgewaad!
Zy wijkt, zy rijst, zy daalt, zy vliedt, zy is verdwenen!
Hoe! hoor ik onder de aard geen hartberoerend stenen?
Gewis! een lijkstoet naakt : de nachtgeest zweeft om ’t graf,
En trekt voor de uitvaart heen, en merkt het pad haar af.

   De ontzette wachthond huilt uit herderstulp en hutten,
Die ’t leem noch ’t kranke rijs voor ’t baldrend wer beschutten.
Het hert slaapt rustig op he bergmosch, en de ree
Zoekt trillende aan zijn zijde een veilge legerste.
Zy dringt zich zijde an zij’, zy hoort den stormwind groeien
En door ’t getakte hout van ’s egaas horens loeien.
Zy hoort het, schrikt, springt op, maar vlijt zich wer ter ner,
En heeft in ’t stallend bloed geen vonkjen levnes meer.
Het veldhoen dekt zijn hoofd al bevend met zijn vlerken.
Geen dier, geen vooglenstem, doet zich op de aard bemerken,
Dan de enkle steenuil, en de nachtwolf daar hy huilt,
Waar zich de reebok in de steenrotskloof verschuilt.

   Ontroerd, bedwelmd van angst, de siddring in de leden,
Mist de arme Wandlaar ’t pad, en treedt met wankle schreden,
Door struik en dorens heen, langs ’t ritslend beekjen voort,
Vol schrikkens voor moeras en steilen steenrotsboord,
Vol schrikkens voor ’t gelaat des nachtgeests, thands aan ’t waren.
De bergeik schudt het hoofd en rammelt met zijn blaren,
’t Verstorven hout breekt af en tuimelt onder een:
De wind drijft over ’t gras de distels voor zich heen:
Hy hoort, hy ziet, hy beeft, door eigen angst bedrogen,
En ’t is een schrikbre geest, die schemert voor zijne oogen!
   De nacht is aaklig, zwart, met storm en schrik bevracht:
Mijn vrienden, geeft me in huis een schuilplaats voor de nacht!

TWEEDE BARD.

De wind steekt woedende op. De felle regen klettert
Op ’t aardrijk, met een kracht, die kruid en bloem verplettert.
De berggeest geeft een’ schreeuw. De wonden storten ner
En wentlen van ’t gebergt’ in ’t opgestegen meir.
De vensters klaopperen in hut en koningszalen.
De Landstroom bruischt en zwelt en overstroomt de dalen.
De Wandlaar waadt vor angst door ’t onherkenbre wed:
Daar gilt hy! ’k hoor zijn stem, hy wankelde in zijn’ tred,
En ’t groeiende geweld der opgezette golven
Sleept hem in d’afgrond me, in ’t doodlijk nat bedolven.
De stormwind drijft en ros en loeiend zuivelvee
Den rug der heuvlen af, naar de afgevloten zee
Die om hun hoogstens spoelt, en door heur hol geklater
De dieren siddren doet voor ’t hen omgevend water.
De Weiman schiet, vol schriks van ’t stroom- en stormgedruis,
Uit bed en sluimring op, in de enge Jaagrekluis,
En wekt het sluimrend vuur in de uitgevlamde kolen.
Hy pleistert wand en dak, en stopt de vensterholen,
Terwijl zijn Jachtstoet rookt van ’t ingedrongen nat,
Dat door den stulpmuur breekt, en om zijne enkels spat.
De grond waar op hy staat, verkeerd in enkle poelen
Van stroomen zwalpend vocht, die om zijn leger spoelen,
En voeren de aarde en ’t zand naar ’t diepste der vallei.

   De herder zwerft beangst langs de onbegangbre hei’,
En zet zich aan den voet eens olmbooms, kaal van takken.
Die ruischt hem over ’t hoofd, dat kroon en armen knakken.
Hy wacht naar ’t opgaan van de halfverlichte maan.

   De geesten rijden op den stormwind af en aan.
Behaaglijk klinkt hun stem door ’t grommen van de orkanen:
’t Zijn liedren uit de kreits waar in de zielen planen!

   De regen is voorby : het drogend Oosten blaast.
De stroomen bruischen op : het ramlend venster raast.
Verstijvende is ’t gevoel van d’afdrop van de daken.

   ’t Gestarnte vangt wer aan zijn vensters op te maken.
Maar neen, de regenwolk vergart zich wer by een.
Het West vertoont zich zwart en vol van aaklighen.
De nacht is stormig en afgrijslijk. Dierbre Vrinden,
Laat me in ’t gastvrij dak een zoete schuilplaats vinden!

DERDE BARD.

   Nog gonst de Wind door ’t dal, door grot en steenrotsspleten,
En ruischt door ’t schrale gras dat op den heuvel groeit.
De dennen storten ner, dan wortel afgereten,
De zoden hut stort in, van ’t onwer omgesmeten,
Dat over ’t hol gebergte loeit.
De wolken vliegen door den hemel en verdeelen.
Het vonkelend gestarnt’ ziet door heur scheuren heen.
De bliksem schiet door ’t zwerk zijn moordvuur naar benen,
En zet de heide in vlam met beuken en abeelen.
Hoe steekt dees dorre plek op ’t mossig bergbruin af!
Hoe kraakt de schuddende eik op ’t rokend heldengraf!

   Wie schuilt daar onder ’t loof eens pijnbooms by den oever,
En staart op ’t rpollend meir, hoe hooger ’t stijgt, hoe droever?
De baren teistren ’t strand en tuimlen wild door een;
Een watervolle boot zweeft drijvende op de golven;
De hobbling voert in ’t nat de riemen met zich heen?
Ach! ’t is een teedre maagd, verstikkende in ’t geween!
Haar minnaar ligt misschien in ’t doodlijk diep bedolven!
Zy wacht hem! Welk een angst! hoe is haar ’t hart te mo!
Zy zag, by ’t zinkend licht, zijn vaartuig op de stroomen;
Zou dit dat vaartuig zijn? haar wellust, omgekomen?
Of voert de wind haar nog zijn angstig kermen toe?

   Maar zacht! de hagel snort en geeselt ons de leden!
Het sneeuwt; ’t gebergte grijst, de stormwind breekt zijn kracht.
Onstuimig is de nacht en vol van aakligheden:
Mijn vrienden, schenkt me in huis een schuilplaats voor de nacht!

VIERDE BARD.

   De nacht is kalm en schoon : de heldre starren blinken
Op ’t effen hemelblaauw : de norsche wind ligt stil.
Het wolkjen trekt te rug, om in den vloed te zinken:
De nachttoorts spiegelt zich in ’s Landsstrooms glazen kil.
’t Geboomte schemert, en de heldre waatren vlieten
Met zilvren wederglans in ’t storten van de rots:
Verzilverd schijnt de stroom door ’t bruine dal te schieten;
Verzilverd schijnt de golf in ’t tuimlend meirgeklots.

   ’k Zie boomen uitgeroeid, en saamgetaste gerven
Verstrooid en weggespoeld door wind en regenplas:
De nijvre Landman zingt, en stapelt anderwerven
Zijn hooge bergen op van kostlijk graangewas.

   De nacht is kalm en schoon. Wie koomt daar voor ons waren
Van ’t aaklig doodenbed, in ’t hagelwit gewaad,
Met de armen, blank als sneeuw en donkerbruine hairen:
Wier Maagdlijke onschuld lacht van ’t leliebleek gelaat?
Ach! ’t is de vorstentelg, wier uitvaart wy bescheiden!
Tre toek, gy, lust der jeugd, te vroeg ontslapen Maagd!
Helaas! de flaauwe schim vliedt vormloos langs de heiden:
Het koeltjen heeft heur’ damp met d’adem weggevaagd!
Het windtjen blaast de mist door de engte van de dalen;
Zy stijgt ten heuvel uit, en heft zich in de lucht.
De nacht is kalm en schoon, de maan verspreidt heur stralen:
Ik vraag geen nachtverblijf, de nacht is vol genucht.

VIJFDE BARD.

   De nacht is kalm, maar aaklig; en de maan
Schijnt in het West, omneveld, pal te staan.
Heur flaauwe glans verlicht geen heuveltoppen.
Men hoort het zeegegolf van verr’.
De morgenwachter kraait; de daauw der uchtenddroppen
Zijt ner, en spelt de komst der bleeke morgenster.
Het huiswijf zoekt in de asch naar de uitgeblaakte vonken,
En blaast den laauwen haard in lichter laaie gloed.
De Jager vliegt naar ’t bed en hoort zijn’ jachthond ronken:
Hy fluit, en ’t spartlend dier ontwaakt in nieuwen moed.
Hy klimt ten heuvel op, en neuriet onder ’t treden.
De lucht verheldert zich: de Noordbeer straalt hem toe.
Hy zet zich aan een rots, de slaap bekruipt zijn leden,
En ’t knikkend hoofd zinkt ner, van ’t eindloos dolen mo.

   Maar zacht! wat nieuw geruisch in boschen en valleien!
De stormwind ruischt door ’t woud; de koelte zuist in ’t dal!
Neen, ’t is de legerstoet der geesten, lagn verscheien,
Zy keeren uit het zwerk, ontelbaar in getal.

   De maan schuilt achter ’t bosch. Van heur verfletschte stralen
Glimt gindsche heuvel nog. Der bosschen schaduw groeit.
’t Wordt donker; ’t ist geen wer om door de hei te dwalen;
Mijn vrienden, bergt me in huis voor ’t onwer dat er broeit!

DE HUISVOOGD.

   Laat vrij het wolkgespan op berg en heuvels hangen!
De Reiziger vol schrik de geesten scheemren zien!
Laat wind en stormgeweld de golven samenprangen,
En schudden ’t daavrend woud, onmachtig weer te bin!
Dat meir en landstroom bruisch’, de bliksem snorre en flikker’!
De maan het bleek gelaat in donkre wolken hull’,
Of achter ’t steil gebergt’ met zilvren werglans blikker’!
Ik vraag naar duistren nacht noch buldrend stormgebrul.
De nacht vliedt siddrend weg voor ’t blijde morgengloren;
De dag keert zeegrijk wer uit d’afgrond van de nacht:
Maar wij, tot zorg en angst, tot enkel smart geboren,
Wy sluim’ren d’avond in, die nimmer morgen wacht.

Waar zijn die Helden toch, op krijgsroem zoo vermeten?
Die koningen vol roems? Hun glorie ging te niet.
De grond, waarop zy stren, is zelfs hunn’ naam vergeten,
En naauwlijks, dat de tijd hunn’ grafsteen overliet!
Wy ook, wy gaan voorby, met al wat wy bejagen.
Dit trotsch gewelf stort in, zijn stuivend puin vergaat,
En ’t Nakroost zal misschien der grijsheid naricht vragen,
Waar ’t slot dier vaadren stond, door wie hun boezem slaat!
Hef aan, en sla de harp! roer pauken en schalmeien!
Steek duizend toortsen aan, en zend den wijnkroes rond!
Laat de eerbre Jonglingschap, de teedre Maagdenreien
Omhupplen op 't muzyk door nacht en morgenstond!
Laat my een grijze Bard van de oude tijden melden,
Van vorsten, groot van faam, hun roem en oorlogsdan,
Van de ons verzwakt geslacht niet meer geloofbre helden,
Tot de uitgedoofde zon in 't Oosten op zal staan!
Laat dan de taaie boog, laat brak en hazewinden
Gereed zijn met den stoet, ten jachttocht toegerust:
Zoo vliegen we in het woud op vogelsnelle hinden
En schuchtren reebok los, met nieuwherboren lust.

      1803.


Aantekeningen van de Dichter:

Bardenwedzang. De herhalingen van de zelfde bewoordingen in dit Stukjen stuiten niemand! Men heeft het oorspronklijke daarin moeten volgen, waar in de voor de vuist zingende Barden zich van eene menigte zulke gemeene uitdrukkingen bedienen, welke hun als tot hulpmiddelen schijnen gestrekt te hebben, om hunn’ geest op te wekken, en tot eigen gedachten te geraken, om ze me te doorweven.
Lichter laaie. Is geen adjectivum en heeft dus geen’ casus obliquus. Het is een genitivus absolutus als er veel zijn, die altijd voor adverbia gebruikt worden, gelijk staandenvoets, ’s morgens, ’s avonds, grootendeels, wederzijds, enz. Lichter laaie is lichter vlamme; dat is, met lichte vlamme. Ik merk dit op, op dat men niet denke, dat ik het woord gloed in het Vrouwelijke geslacht gebruike.



E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 september 1997