Willem Bilderdyk (1756-1831)

De krijg met Karos.

Gezang, Ossiaan toegeigend.

   Reik, Toskars dierbre spruit, reik my ’t speeltuig aan!
De morgenstond gaat op in ’t hart van Ossiaan.
’t Is even als het veld, van de eerste zon beschenen.
Het duister overdekt de heuvlen nog in ’t rond
Terwijl de schaduw op zijn’ verlichten grond;
Maar de aakligheid der nacht is reeds van de aard verdwenen

   Malvina! ’k zie mijn’ Zoon ter zij’ van Kronaas vliet:
Maar ’t is een enkle mist gekleurd van de avondstralen!
Minlijk nevellicht, blijf voor mijne oogen dwalen!
En, winden, breekt dien damp, verspreidt dien nevel niet,
Wanneer ge uit Arduns woud langs ’t vlak der heuvlen schiet,
Maar laat me aan Oskars beeld den hoogsten lust behalen,
Die ’t streelend zinbedrog aan ’t hart eens vaders biedt!
Helaas! ik zag dien zoon Natuur den tol betalen!
’t Is alles wat my overschiet.

   Wie daalt daar voor mijn oog van Konaas steenrotsklippen?
Wie wendt zich tot mijn’ zoon met murmelende lippen,
Waarop de zangtoon smoort, die in zijn’ gorgel dreunt?
Zijn vuist beknelt een’ staf, die ’t krommend lichaam steunt.
De winden dartlen met zijn zilvergrijze hairen.
Een sture en sombre vreugd schijnt uit zijn oog te staren.
Hy ziet naar Karos heir, als ware ’t, zorglijk om.
’t Is Rijno, de eedle Bard, geerd by ’t heldendom.
Hy ging aan Karuns boord de Roomsche macht bespieden.
Wat doet de Waterwolf, steun der Oorlogslieden?
(Dus spreekt de wakkre spruit van droeven Ossiaan.)
Spreek, zaagt gy de Adelaars op onze kusten staan?

    Ik zag ze (zegt de Bard)! ik zag zijn veldstandaarden,
Maar achter ’t woest gebriesch van zijne ontembre paarden.
Een opgeworpen muur omgordt zijn krachtloos heir.
Hy ziet van dezen wal met siddring op ons ner.
Verschriklijk zijn wy hem, gelijk de donderwolken
Voor zijn geschokte vloot op ’t vlak der waterkolken.

    Ga, Hoofd de Barden (sprak de Heirvoogd)! neem mijn speer,
En hecht een vlammend vlasch aan ’t spitse van ’t geweer,
En slinger het in ’t rond naar alle vier de winden.
Ga Karos met die vlam in zijn verschansing vinden,
En vorder hem ten strijd’. Dat hy zijn’ wal verlaat,
En ’t tuimlend zeegegolf dat op de strandrots slaat.
Zeg hem, mijn hart verlangt een’ vijand op te dagen:
Mijn jachtboog heeft een’ walg van hinden na te jagen.
Zeg hem, mijn arm is jong en nog geen’ krijg gewoon,
En Fingal verr’ van hier, zoo wel als Fingals zoon.

   De Bard aanvaardt zijn last, en mopelt onder ’t treden
Den zang dien hy ontwerpt, naar ’t kleppren van zijn schreden.
Doch Oskars donderstem verheft zich door de lucht,
En dringt door Arduns woud, als ’t daavrend golfgerucht,
Wanneer Togormoos zee de holgewelfde rotsen
Verwrikt, en ’t stormgeloei vereenigt met heur klotsen.
Zijn helden hooren ’t, en, als stroomen van ’t gebergt’
Afwentlend met een drift door ’t herfstwer aangetergd,
Zoo vloeien ze op zijn stem de heuvlen af, en scharen
Zich om hem met ’t gedruis der murmelende baren.

   De grijze Rijno stapt naar ’t overzeesche heir,
En zwaait de ontvlamde wiek op de opgeheven speer.
Kom (zingt hy) tot den strijd, gy, Hoofd de zeeberijders!
Held Oskar is alleen, hy daagt u uit, als strijders!
Vorst Fingal, verr’ van hier, vermeldt zich in zijn hal
Met zangrig snarenspel en vrolijk feestgeschal.
Zijn wijdgeduchte speer, die zoo veel roems vergarde,
Staat werkloos aan zijn zij’, zijn beuklaar ligt ter aarde.
Kom tot den veldslag op! ’t Is Oskar die u wacht:
De Krijgsheld is alleen, en steunt op eigen kracht!
Maar Karos hield zijn heir in Karuns bocht besloten.

   De nacht had nu op de aard haar duister uitgegoten:
De Bard was wergekeerd. Men spreidt het avondmaal,
En Kronaas heuvelgrond verstrekt voor Koningszaal.
Het schemert langs de hei’ van honderd eikenstammen,
Die, ruischende in den wind, ten hoogen hemel vlammen.
De geesten zwerven door de flikkring aan en af,
En toonen ’t vormloos lijf en weemlen om hun graf.
Men ziet Komalaas schim van schittrend licht omgeven,
Met halfbedekt gelaat door ’t neevlig duister zweven.
Hidallan schemert flaauw en met een’ sombren glans,
Als wen de omwolkte maan verduistert aan den trans.

   ’t Was Rijno, die alleen des Krijgsmans schim ontwaarde.
Wat deert u (sprak de Bard)? Wat zoekt uw ziel op aarde?
Hidallan! hebt ge uw deel van oorlogsglorie niet,
En wijdde u Ossiaan geen hartontroerend lied?
Hoe huppelde uwe schim, hoe scheen zy ’t hoofd te nijgen,
Wanneer zijn harpgezang ten wolken op kwam stijgen!
Waartoe, sombre geest, dan pijnlijk omgezwierd?
Bevredig u, held, uwe uitvaart is gevierd!

    Wat hoore ik! ziet u oog Hidallans geest verschijnen
(Vraagt Oskar)? draagt zijn wolk de teekens nog van ’t kwijnen?
Ai, zeg me, Rijno, hoe die krijgsheld, zoo vemaard
Op Konaas heuvlen, viel, dat nog zijn’ naam bewaart?
’k Heb menigmaal zijn graf met eerbied mogen naderen!
Gewis, zijn oorlogsroem was groot by onzen Vaderen.

    Vorst Fingal (sprak de Bard) had d’altijd dappren held
Ontzegd, zijn Legermacht te volgen in het veld.
Des Konings ziel treurde om Komala. Voor zijne oogen
Kon hy ’t erinn’rend oog des jonglings niet gedogen.
Verlaten, eenzaam, droef, onzeker wat hy deed,
Doorkruisde hy ’t gebergt’, verteerende in zijn leed.
Zijn armen hongen flets, by ’t lichaam nergezegen,
Langs de ongegorde heup, verlaten van den degen.
Zijn hair zwierde ongekemd langs de slaap en wekbraauwboog;
De traan des weemoeds zwol in ’t nergeslagen oog:
Een halfverstikte zucht bleef in zijn’ adem smoren.
Drie dagen doolt hy rond, in diep gepeins verloren.
Den vierden voert hem ’t lot van Balvaas stillen stroom,
In ’t vaderlijk gewest. — In ’t lommer van een’ boom
Zat Lamor voor de poort van zijne ontvolkte muren,
En hoorde ’t vlietend nat zijn grazige oevers schuren.
Hidallan had zijn volk naar Fingals krijg geleid;
Van daar om ’s Grijsaarts burcht die doodlijke eenzaamheid!
Zijn eertijds vurig oog was door de hand der jaren
Verduisterd, en zijn hoofd besneeuwd met zilvren hairen.
Hy zong een oorlogslied op lang verouden toon.
Hy hoort Hidallans stap en kent hem voor zijn zoon!

    Hoe! klinkt de voetstap van Hidallan my in de ooren?
Of is ’t zijn geest misschien, en heeft hy ’t licht verloren?
Indien ’t zijn voetstap is, waar is mijne oorlogsmacht?
Of zijn zy met hun Hoofd op Karuns boord geslacht?
Hidallan! zijt gy ’t zelf? is al mijn volk gebleven?

    Neen, zucht de Jongling, neen! uw benden zijn in ’t leven.
Zy leven, en, omstraald met blinkende oorlogseer,
Mijn Vader! maar uw Zoon…! hy heeft zijn’ roem niet meer.
Daar veld en heuvel dreunt van woeste krijgsrumoeren,
Moet ik aan Balvaas boord een werkloos leven voeren!

    Een werkloos leven? neen! riep Lamor woedende uit.
Uw Vaadren rustten nooit by ’t davrend krijgsgeluid.
Beschouwt gy gindsche terp van opgehoogde zoden?
Daar rust Garmallons lijk die nimmer heeft gevloden.
Komt, helden, roept zijn schim, bij ’t Vaderlijke graf!
Zou ik Garmallon zijn, en in mijne afkomst laf?

    Vorst van Balva, zegt Hidallan, diep verzuchtend!
Wat foltert gy mijn ziel! de zoon van Lamor vluchtend!
Neen, waan dit nimmer. Hoor mijn onheil. Morvens Vorst
Voerde om Komalaas dood de wanhoop in zijn borst,
En weigerde uwen zoon, zijn krijgsbanier te volgen.
Ga, sprak hy, fel ontroerd, en tot de dood verbolgen,
Keer tot uw Vaderland! verga in Balvans wal,
Gelijk een dorrende eik, die nooit wer groenen zal!

    En my, hernam de Vorst, is ’t noodlot dan beschoren,
In de eenzaamheid van ’t dal, Hidallans tred te hooren!
Daar duizenden hun naam verheffen door ’t geweer,
Buigt hy ’t beschaamd gelaat op Balvaas oevers ner!
Garmallons eedle geest, kom grijzen Lamor halen!
Hy is te veel op de aar : zyn oog verloor zijn stralen,
Zijn ziel bezwijkt van rouw. Zijn Zoon, zijn dierbre Zoon,
Is van zijn’ roem beroofd, en overdekt met hoon!

    Waar, zegt de ontroerde Held, in welke wareldhoeken,
Mijn Vader, zal uw Zoon naar Heldenglorie zoeken,
Dat hy uw droefheid zalve, uw teder hart verblij,
En dat zijn wederkomst uu oor behaaglijk zij?
Waar laat zich de oorlogsroem dan hy de wapens vinden!
Vergeefs vervolgde ik hem by werelooze hinden!
Ach! Lamor kan den hond niet troetlen op zijn’ schoot,
Die om zijn’ meester hupt by ’t scheemrend avondrood:
Hy kan naar berg noch krocht, naar dat noch heuvel vragen,
Waar zijn vergeten zoon het wildbraad op mocht jagen!
Het bloedig oorlogszwaard gaat hem alleen ter hart’!

    ’k Moet sterven, ’k moet vergaan, verkwijnen in mijn smart,
’k Ben als een dorrende eik, zegt Lamor, nat van tranen:
Zijn wortel had geen’ grond, hy zwichtte voor de orkanen!
Mijn afgescheiden geest zal waren om ’t gebergt’,
En treuren om den Zoon, die al mijn tranen vergt.
Neevlen! moge uw damp mijne oogen dan bedekken,
En ’t voorwerp dat my moordt, aan mijn gezicht onttrekken!
Mijn Zoon, ga tot mijn bal, die ’t wapentuig bewaart
Der Vaadren van ons huis; en haal Garmallons zwaard.
Hy won het in den strijd. —
                                                    De Jongling haalt den degen
Met d’overkostbren riem met blinkend goud doorregen.
De grijzaart neemt het zwaard, en rukt het uit den band,
En onderzoekt de punt van ’t lemmer op de hand.

    Mijn Zoon, gelei my thands, herneemt de Grijzaart weder,
Naar held Garmallons graf. (Zijn boezem zuchtte teder.)
Het rijst ter linkerzij’ van gindschen popelboom.
Het koeltjen ruischt er langs. Een kleene waterstroom
Ontspringt aan d’andren kant, en zendt zijn helder water
Aan Balvaas ruimen kil. — Ik hoor het loofgeklater.
’t Is middag, zet my heir in schaduw van het blad:
De zon staat over ’t veld, mijn ziel is afgemat.

    De Jongling leidt hem naar de grafterp; en de Vader
Doorstoot hem ’t lillend hart. Zy sterven be te gader.
Hun oud geslacht verdween. Hun burchtslot valt in puin.
De geesten waren er langs dal en heuvelkruin.
De streek is eenzaam en verlaten, en zy beven,
Die naadren tot de plaats van hun erbarmlijk sneven.

    Hoe treft me uw droef verhaal (zucht Oskars teedre ziel)!
Hoe voele ik voor den held, die zoo ontijdig viel!
Ach, Rijno! zelfs zijn schim schijnt werklijk na zijn sterven,
Op d’adem van den wind onrustig om te zwerven! —
Doch, Zoons van Morven, koomt, verdrijft de stille nacht
In schellen wapenzang, tot schrik van Karos macht.
’k Begeef my middlerwijl naar Arduns bergrotsholen,
Waar ’t zwervend Geestendom in ’t eenzaam saam koomt scholen,
Zich op zijn wolken heft en middlen uit zijn mist,
Voor ’t aangaan van de slag, van de uitkomst vergewist.
Hidallan, vindt ge u daar, toon uw sombre kwijning
Aan ’t oog van Figals zoon! het haakt naar uw verschijning.

   Der Helden wapentoon steeg tot den hemel op,
En Oskar nam zijn’ weg naar Ardusn hoogsten top.
Een menigte aaklighen, in dampen opgeheven,
Schijnt vonklend voor hem heen de steiltste langs te streven:
Een verre waterval ruischt flaauwkens in zijn oor:
Een schrale herfstvlaag zuist het dorrende Olmloof door:
De halfverlichte maan bezwijmt in donkre kringen;
En flaauwe stem by stem wergalmen langs de klingen.
De Heirvoogd trekt zijn zwaard : Ontzachlijk Geestental!
Gy die de macht bedwongt des Konings van ’t Heelal!
(Dus roept hy) meldt me, meldt den jongsten uwer loten
De toekomst, die u ’t lot vergund heeft hem te ontbloten.
Meldt hem de daden van zijne afkomst, en ’t gesprek
Waarme ge u onderhoudt in uw omwolkt vertrek!
Of, weigert ge, aan uw’ zoon zijn naadrend lot te melden,
Ziet op uw moedig kroost in ’t glorieperk der helden!

   Hy zweeg, in biddende ernst, en Tremmors geest verscheen.
Een wolk van heldren damp omgaf zijn reuzenslen,
En droeg hem door de lucht gelijk een oorlogswagen,
Maar zwanger van den dood en doodelijke plagen.
Een halfvervonkeld licht verstrekt hem voor een zwaard.
Zijn voorhoofd schuilt in mist die ’t vormloos hoofd omwaart.
Hy ziet zijn’ kleinzoon aan, en zucht herhaalde malen.
De nachtgeest brult hem na door heuvlen en dalen.
Zijn stem tot Oskar klonk als ’t momm’lend windgebrom,
Maar smoorde in dichten damp en gonzend luchtgebom.
Zijn taal droeg ’t merk zijns tijds, in zin en uitspraak duister,
Eer ’t licht der Pozy nog opging in zijn’ luister,
En trof ’t aandachtig oor met ontbestemd gerucht. —
In ’t eind, de schim hield op, en werd tot ijdle lucht. —
’t Was toen, Toskars telg, dat Oskar sloeg aan ’t kwijnen.
Hy wist het, dat zijn stam van ’t aardrijk moest verdwijnen.
Somwijlen smolt hem ’t hart in dit vooruitgezicht,
En ’t vier en mannelijk oog benevelde in zijn licht.
Zoo zien we in ’t licht des daags, van ’t wolkenfloers omhangen,
Ontluisterd nederzien met bleekgeverfde wangen:
Maar ’t is een oogenblik! zijn gloed herstelt zich wer,
En straalt van uit die nacht op Konaas beemden ner.

   De Heirvoogd sleet de nacht in ’t midden dezer schimmen.
De morgen zag zijn staal aan Karuns oever glimmen.
Daar rees een oude tombe in ’t midden van een dal,
Van heuveltjens in ’t rond omcingeld, als een wal,
En hier en ginds omzet met grijze popeldreven,
Die ’t afgebladerd hoofd den wind ten beste geven.
Hier kreeg hy onverhoeds des vijands macht in ’t oog!
Die, door de nacht gedekt, den landstroom over toog.
Zy scheen een rij gelijk van bladerlooze dennen,
Maar ’t steeds verheldrend licht deed heur beweging kennen
De held stond by de tombe, en gaf een’ schrikbren kreet,
Die ’t galmend steengebergt’ tot driewerf schudden deed;
De heuvels daverden, de schuchtre hinden vloden;
De siddring van den schrik trof levenden en dooden:
De geesten zonken weg in ’t onderaardsche diep,
Zoo vreeslijk was zijn stem, wen hy te wapen riep!

   Het volk van Karos vliegt met meer dan duizend speren
Om d’onverschrikbren held, wiens arm hen koomt braveeren. —
Van waar die teedre traan, die langs uw’ boezem schiet,
Malvine? — Ook gants alleen bezwijkt mijn Oskar niet.
Hy is een bliksemstraal, en treft aan alle zijden;
Wat om hem is, stort ner; zijn zwaard is niet te mijden.
Zin hand is de arm eens Geests, die van de wolken treft;
De doodsteek dringt in ’t hart eer dat hem ’t oog beseft. —
Mijn Zoon zag ’s vijands macht in zulk een aantal naderen;
Hy stond en voelde ’t bloed van Fingal in zijne aderen.
’k Word (zegt hy) in hoop van duizenden omringd.
Ontelbaar is ’t geweer, dat naar mijn’ boezem dringt.
Wat zal, wat moet ik doen? — Naar Arduns heuvel wijken? —
Mijn Vaadren, weekt gy ooit? — Zal Oskar u gelijken? —
De teekens van uw arm zijn heinde en verr’ verspreid!
Maar Oskar blaakt als gy van heldendapperheid.
Koomt, Geesten die my hoort! beschouwt uws naneefs daden:
’k Mag sneuvlen, maar mijn naam zal d’uwen niet verraden!
Daar stond hy, wortelvast, in ’t midden van den hoop!
Men streed, de vijand viel, en Oskars lemmer droop.

   ’t Gerucht klonk middlerwijl zijn Legermacht in de ooren.
’t Stroomt alles naar hem toe, de woede geeft hun sporen.
De Roomsche Krijgers vlin. Hy staat alleen in ’t bloed
Gelijk een rots in zee by ’t slinken van den vloed.
Nu doet de Roomsche Vorst zijn saamgedrongen benden
Met heel zijn’ruitrenstoet naar ’t bloedig slagveld wenden.
Het aardrijk schokt er van en siddert wijd in ’t rond!
De loop der beken smoort in d’omgetrapten grond!
De strijd vangt woedende aan, en beide legerspitsen
Staan ijlings als in ’t licht van duizend bliksemflitsen.
Maar zwijg, mijn zwakke harp, van Oorlogsdaden! zwijg!
Ach, nimmer zal mijn staal wer schitren in den krijg!
Met weemoed denke ik na aan wapens en banieren,
Wen ik de zwakheid voel van mijn verslapte spieren.
Gelukkig, driewerf! hy, die in zijns levens bloem
Mocht sneuvlen in den glans van zijn’ verkregen’ roem.
Nooit zag hy ’t graf eens vriends met natbekretene oogen,
Noch voelde d’Oorlogsboog werspannig van zijn pogen!
Gelukkig, driewerf, gy, Oskar, mijn Zoon,
Die thands op Wolken drijft in ’t neevlig rijk der don!
Vaak zweeft gy over ’t veld, nog juichend van uw glorie,
Waar Karos magtige arm u de eer liet der viktorie!

   ’t Wordt duister in mijn ziel, Toskars dierbre spruit
Ik zie mijn’ Zoon niet meer: mijn zoete droom heeft uit.
Het fladdren van den wind, die de avondlucht beroerde,
Verdreef ’t beminlijk beeld, dat me in dees mijm’ring voerde.
Niets rest my dan de smart die aan mijn hartar knaagt.
Maar reik me uw lieve hand, minlijke Maagd!
Gelei my naar ’t geruisch van woud en bergspelonken,
Waar ’t daavrend jachtrumoer mijn’ boezem moge ontfonken,
En de eens verzonken tijd herrijzen voor mijn oog!
Breng my daar de harp, dat ik haar tokklen moog!
Zit by my, lieve Maagd! geef aandacht aan mijn zangen:
Eens moog ze een later tijd van uwe lippen vangen,
En leeren ’t Nageslacht den roem van Ossiaan!
Geen vreemdling zal het oog op deze rotsen slaan,
Of d’uitgeleefden Bard, vereeuwigd door zijn snaren,
Herdenken, en zijn’ naam in ’t zanggraag hart bewaren.

   Zijn ziel zal d’ouden tijd bewondren met ontzag,
En zuchten om ’t geslacht, der eeuwen flonkerbag!
En wy, Malvina, wy, op nevelen geheven,
Wy zullen op de vlerk der lichte winden zweven,
En galmen nu en dan aan ’t eenzaam rotsgesteent’
Dien toon van weemoed toe, die in heur kloven weent.

      1803.


Aantekeningen van de Dichter:

Carausius die zich in ’t jaar 284 onzer Tijdrekening den tijtel van Keizer aanmatigde, by Ossiaan KAROS genoemd.
Krijgsmans Hildallans.

E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 21 september 1997