Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Kerker.

Wen Min door mijn gevangnis
Op vrije vleugels wappert,
Em ’t liefste Meisjen, dat ik weet
Voor mijn tralie plappert:
Wan ’t harte, door heur oog ontgloeit,
Van ’t Mingenoegen overvloeit
In onbedwongen blijheid;
Geen vogel die door ’t luchtruim zweeft,
Geniet dan zulk een Vrijheid.

Wen de Uchtendzon my vrolijk groet
En toelacht door mijn tralie,
De Nacht my rustig slapen doet
In schaduw van heur falie:
Wen boek en denken my den dag
Naar willekeur verdeelen mag,
Wat vraag ik grooter blijheid!
Geen visch die dartelt in den stroom,
Geniet dan zulk een Vrijheid.

Wen, als een vinkjen in zijn kooi,
In ’t kerkerhol gesloten,
Mijn hart zich voor zijns Rechters oog
Vrijmoedig durft ontblooten;
Wen ’t hol, in spijt van boei en dwang,
Den weêrgalm nabaauwt van mijn’ zang,
In ongeveinsde blijheid;
De wind, die ’t rijzend golfjen krult,
Geniet geen zulke Vrijheid.

Geen muur is ’t, die den kerker maakt;
Geen tralie, den gevangen :
Het vlekloos en gerust gemoed
Is in geen’ band te prangen.
Zoo ’t hart beminnen mag naar lust,
En op zijn God en onschuld rust,
De bron van ware blijheid;
Gods Englen slechts in ’s Hemels schoot,
Genieten zulk een Vrijheid.

Vrije Navolging, naar het Engelsch.

1804.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 24 september 1997