Willem Bilderdyk (1756-1831)

Lathmon.

GEZANG VAN OSSIAAN.

   Geen feestgalm, geen geruisch in Zalmaas koningszalen?
Geen jachthoorn, geen rumoer in Morvens dorrend woud!
De heuvel bakert zich by ’t vuur der Zonnestralen;
De blonde golf alleen vertoont zich boven ’t zout.
Gelijk in ’t neevlig graauw der wolken
De boog die ’t aardrijk overspant,
Zoo praalt by ’t blaauw der waterkolken,
De maagdenkring op ’t eenzaam strand.
Zy turen naar den kant van Erins groene boorden
Met vlammende oogen heen, en zoeken ’s Konings vloot.
Zijn werkomst was bepaald, maar ’t wederstrevig Noorden
Verheft zich over ’t vlak van ’s waters hollen schoot.
Wie koomt daar van de bergkim stroomen,
Als ’t golven van een’ donkren vloed? —
’t Is Lathmons talrijke Oorlogsstoet.
Hy heeft in zijn gebergt’ van Fingals tocht vernomen,
En ’t Noorder koeltjen geeft hem moed.
Zijn ziel verheugt zich vast in ’t denkbeeld van ’t verwinnen! —
’t Verwinnen — Lathmon! — en van wien? —
Wat dolheid speelt u door de zinnen!
Wie is er om u weer te bin?
Of koomt ge, om weerelooze vrouwen,
Om Morvens maagdenrei, te dagen tot den slag?
Om zwakke kinders ner te houwen,
Wier arm geen zwaard verheffen mag?

   Maar sta, bergstroom, zoo vermeten!
Hou stand in uwen loop, hou stand!
Wend, Lathmon, wend uw oog naar ’t strand,
En zie in ’t blaauw verschiet dees uitgebreide keten
Van zeilen, die de Wind naar onze kusten spant. —
Verbleekt ge, en voelt ge uw’ krijgsmoed zinken? —
Gewis, de stormbui naakt, die u de kruin vermaalt!
’t Zijn Fingals wapens die daar blinken,
Zijn wraakzwaard heeft u achterhaald!

   Wy rolden op den rug der tuimlende golven,
En zagen d’oever reeds, in graauwe mist bedolven,
Wen Fingal met een’ schrik van uit de sluimring schoot,
De hand aan ’t wapen sloeg, en ’t lemmer had ontbloot.
Zijn helden rezen op. Wy zagen ’t voorhoofd glimmen,
En de oogen, van ’t gezicht der Vaderlijken schimmen
Met aakligheid vervuld. Want dikwerf werd zijn koets
Van ’t zwervend Geestendom der helden zijnes bloeds
Bezocht, wen ’s vijands zwaard het Vaderland bestookte,
Of ’t smeulend oorlogsvuur op onze heuvels rookte.
Waar weekt ge, Zuidenwind, of waar versteekt ge u-zelv’?
(Dus sprak hy) Bruischt ge, in ’t hol van ’t onder aardsch gewelf,
De rijke kamers door van ’t schattenteelend Zuien?
Of jaagt ge aan verre kust de zwangre donderbuien?
Wat weigert ge aan mijn zeil, aan dees mijn waterbaan,
Den adem dien gy voert, en houdt mijn kielen staan?
Ach! Morven is in nood! zijn Koning op de baren,
En ’t Vaderland een prooi van vreemde Legerscharen!
Maar neen! ik voel den wind, die van den middag zuist.
Te wapen, Heldenkroost! het steigrend water bruischt!
Wy naadren. In ’t geweer! het harnas aan de leden,
De speeren over ’t boord, de fabels uit de scheden!
’t Is Lathmon, dien we op ’t strand aan ’t hoofd zijns legers zien:
Hy, dien ge op Lonaas veld voor Fingals arm zaagt vlin!
Hy vlood, maar keert te rug als ’t nat der wintervlieten,
En koomt met nieuw’ gebruisch door onze heuvlen schieten.

   Dus klonk des Konigns taal. Wy streefden snel door zee,
En kwamen met de vloot in Kormons bocht ter ree.
Ik klom de strandrots op, en sloeg herhaalde malen
D’alarmklank op mijn schild. De wergalm van de dalen
Herhaalde ’t hol geluid, en joeg het schichtig hert
Uit bosch en leger op. De vijand stond benard.

   Stokoude Morni zat, bedekt met zilvren hairen
Aan Strumons waterkant, in schauw der hazelaren.
’t Vooroverhellend lijf, als buigende over ’t graf,
Werd door den arm geschraagd, zich steunende op den staf.
De jonge Gal hoort, met de oogen nergeslagen,
Zijn’ Vader van zijn jeugd en oorlogsroem gewagen.
Vaak vliegt hy by ’t verhaal van ’s Grijzaarts heldendan,
Als ware ’t vlammende, op, en ziet den heml aan.
Maar ’t daavren van mijn schild klinkt d’ouden Held in de ooren.
Hy kent dien wapenroep, en grimlacht hem te hooren.
Met drift verrijst hy van zijn zitplaats, schudt het hoofd,
En ’t heldenvuur vlamt op, in de oogen reeds gedoofd.

    Mijn Zoon (dus luidt zijn taal), ik hoor den beuklaar klinken!
Vorst Fingal kwam te rug: zijn witte zeilen blinken
Den Over in ’t gezicht, en streven naar den wal.
Ga, haal mijn’ oorlogsdosch uit Strumoos wapenhal.
Maar breng my ’t lichte schild, het geen mijn Vader voerde
Wanneer hem de ouderdom den slappen arm beroerde,
De mijne is ook verzwakt. Gy, steek u in ’t geweer,
Vlieg in uw’ eersten strijd, en streef naar wapener!
Moge uw arm in kracht voor geen’ der Vaadren wijken!
Uw loop in ’t oorlogsveld des aadlaars vlucht gelijken!
Wat zoudt ge een’ dood ontzien, van braven steeds gewenscht!
De dappre valt met roem; een’ roem, die nooit verflenst!
Zijn beuklaar stuit den stroom by ’t zwellen der gevaren,
En onverganklijke eer omstraalt zijn zilvren hairen.
Mijn Gal, ziet ge alom mijn grijsheid niet vereerd?
’t Is Morni, roept men uit, waar heen mijn voet zich keert.
De Jeugd ontmoet my niet dan met ontzagbetooning,
En staart my zwijgend na! — Hoe zoet is die beloning!
Maar nimmer vluchtte ik ook: het schittren van mijn staal
Wees, waar ’t het donkerst stond, den weg ten zegepraal.
De vreemdeling versmolt, de machtigen bezweken,
Waar ik in ’t veld verscheen om Legers door te breken.

   De Jongling ging en bracht de wapens. — De oude Held
Staat overdekt van ’t staal, en stapt naar ’t oorlogsveld.
Zijn hand beknelt de speer, in menigte gevechten
Besprengeld met het bloed van Komhals oorlogsknechten.
Zijn Zoon treedt aan zijn zij’. — Zij naadren Morvens Vorst,
En ’s Grijzaarts achtbre tred verheugde ’s Konings borst.

   Hy rijst, en groet den held. Hoe (zegt hy) konde ik wachten
Hier Strumons Vorst te zien na ’t slinken van zijn krachten!
Vaak scheent ge in ’t heetst des strijds, omflikkerd van het staal,
Gelijk by ’t rijzend licht der blijde morgenstraal
Die de onwersbuien sloopt waar ze om den hemel hangen.
Doch waarom doet ge uw’ arm niet eindlijk rust erlangen?
Uw roem wergalmt alom in ’t klinkend Bardenlied!
Wie zegent Mornies kruin, of wie zijn daden niet!
Wat dwingt ge uw’ ouderdom tot nieuwe heldenblijken?
De vijand, strijdbre Vorst, zal ook voor Fingal wijken.

   Hy andwoord: Komhals Zoon! gy weet, wie Morni was.
Helaas! de kracht verwelkt gelijk het heuvelgras.
Neen, ’t is dees arm niet meer, die helden kuisters smeedde,
Ik sla de hand aan ’t zwaard, maar ’t klemt zich in de schede,
En stelt mijn drift te loor. Ik werp de Legerspeer;
Zy valt my verr’ van ’t merk en voor mijn voeten ner.
Ik voel het koopren schild mijn’ matten arm bezwaren.
Zie daarde dwinglandij der opgehoopte jaren!
Maar, Fingal, ’k heb een’ Zoon in ’s levens eerste bloem,
Wiens borst van ijver gloeit voor d’ouderlijken roem;
Doch nooit nog heeft hy ’t zwaard in d’oorlog opgeheven:
Hem voere ik naar den krijg om op mijn spoor te streven.
Zijn onbedreven’ arm te stieren in den slag,
Zie daar mijn eenig doel, en wat ik nog vermag!
Mag de roem diens Zoons den mijnen doen vergeten!
Hoe zalig zal ik my in dees mijn zwakheid heeten!
Hoe zalig, zoo de jeugd, uit eerbied voor zijn’ moed,
My met geen’ andren naam dan van zijn’ Vader groet!

    Ja, Vorst (hernam de Held) hy zal in ’t oorlogstreffen,
(Gy wilt het, ’k ben te vren) zijn blinkend zwaard verheffen;
Maar ’t zal aan Fingals zij’, en voor zijne oogen zijn.
Mijn arm zal Mornies bloed beschermen als het mijn.
Gy, rust in Zelmaas hal, en hoor de fixe snaren
Der feestharp uwen lof aan dien van Fingal paren.
Beveel het feestgezang, en stem de melody
Dat wie er sneuvlen moog zich in zijn’ roem verblij’,
En uw aandoenlijk hart zich aan de vreugden open’! —
Mijn Zoon (uw legerspeer is reeds met bloed bedropen),
Leid Gal in ’t gevecht, en wees zijn strijdgenoot;
Maar wijk niet van mijn zijde, en geef u nergens bloot!
De vijand mocht u licht omcinglen onder ’t strijden,
En ik uw teedre jeugd ontijdig af zien snijden.

   Ik zag den Jongling in zijn waapnen. ’t Heldenvier
Blonk tintlend uit zijn oog. Zijn vriendschap werd my dier.
Mijn terheid vloot de zijne in onze omarming tegen.
Wy weken achter ’t bosch en toonden ons den degen.
We aanschouwden ’t blaauwend staal met kinderlijke zucht,
En proefden arm en zwaard in ’t klieven van de lucht.

   ’t Was avond. Fingal zal by ’t licht der eikenstammen,
en Morni aan zijn zij’; de rosse gloed der vlammen
Verguld ’t zilvren hair dat langs zijn slapen droop.
Zy onderhielden zich van ’t hooploos tijdsverloop,
En de onnavolgbre dan dr langverstorven helden,
Terwijl het Bardenchoor den toon der harpsnaar stelden.
Ullijn begon den zang. Van Komhal was zijn lied;
Maar Mornies wenkbrauw zonk van heimlijk zielsverdriet.
Een oogwenk, vol van ernst, scheen tot den Bard te spreken,
En ’s Dichters heldenzang bleef in den aanvang steken.
De koning zag den Held met vriendelijke oogen aan:
Van waar, Strumons Vorst, dus hevig aangedaan?
(Dus sprak hy) schuif ’t gordijn voor de ouderlijke vede!
Onze ouders voerden Krijg, wy vierden ’t feest der Vrede.
Ons beider oorlogszwaard is tegen hem gekant,
Die zich de vijand toont van ’t dierbaar Vaderland.
Hy zwichte in ’t veld van eer voor uw, voor Fingals slagen!
Ja, schuiven wy ’t gordijn voor de afgeloopen dagen!

    Neen, Vorst van Morven (sprak de Grijzaart) wees gerust!
’k Herkende uws Vaders roem met teedre hartelust.
Hy was in ’t oorlogsveld ontzaglijk in zijn woede.
Mijn tranen biggelden, wanneer zijn hart verbloedde.
Helaas! de zwakke blijft, de dappren zijn niet meer!
Wat helden heb ik niet zien sneuvlen door ’t geweer!
Toch schuwde ik geen gevaar, noch trachtte om hem te ontvlieden,
Wiens arm ik nooit met eer den tweestrijd aan mocht bieden.

    Doch, Fingal, ’t wordt reeds laat, de sluimring eischt heur recht,
En de ochtend roept ons licht met Lathmon in gevecht.
Ik hoor ’t geruisch zijns heirs als ’t afgelegen rommelen
Van donders in ’t gebergt’, die langs de heuvels stommelen.
Gy, strijdbre Ossiaan, en Gal, mijn zoon!
Uw Jonkheid, vlug ter been, is ’t klautren best gewoon.
Gaat, neemt den vijand waar, van achter ’t struikgebladert’;
Doch wacht u, dat gy hem op korter afstand nadert!
Uw vaders zijn er niet, tot steunsel van uw’ moed.
De roekloosheid der jeugd wordt al te zwaar geboet !

   Zoo sprak hy. ’s Gryzaarts last verrukte ons ’t jeugdig harte
Het rammlen van ons staal was hoorbaar in de verte.
Wy streefden naar de rots, omzet met struikgewas.
’t Gestarnte blonk als goud om ’s Hemels draaiende as;
De schimmen zweefden langs de velden, en we erkenden
Het gonzende gerucht der vijandlijke benden.
’t Was toen, dat Gals moed, terwijl hy ’t blanke staal
Ten halve hield ontbloot, zich uitstorten in dees taal:

    Mijn halsvriend (riep hy uit)! wat gloeit my zoo door de aderen?
Mijn boezem klopt en schokt, daar wy den vijand naderen.
Ik zie hem slechts van verr’, en ’t duizelt in mijn hoofd,
Ja, ’k voel mijn’ voetstap-zelv’ van zekerheid beroofd,
Mijn hand beeft op ’t gevest des degens aan mijn zijde! —
Voelt zich de dappre zoo, wanneer hy brandt ten strijde? —
Het leger ligt ter rust. Wat vreugd voor Mornies ziel,
Indien zijn zoon met u op ’s vijands benden viel!
Gewis, ons beider roem zou tot den hemel rijzen,
En wy, de kracht van ’t bloed aan ’t heldenvolk bewijzen.

    Mijn ziel (herman ik straks) schept lust in ’t krijgsgevaar.
Ik blake om ook mijn’ naam aan de eedle harpensnaar
Te leevren. — Maar, mijn vriend! wy wierden afgeslagen!
Hoe zoude ik ooit den blik van Fingals oog verdragen?
Ontzachlijk is die blik, schrikbrer dan de dood.
Maar neenm, ik vrees dien niet, mijn eedle strijdgenoot!
Verwinnen zal mijn arm, of in de poging sterven. —
Maar zal een nederlaag mijn poging roem verwerven?
Ach! de overwonnen held gaat als een schim voorby.
Maar neen, de heldenroem is weggelegd voor my!
Mijn daden zullen die nvan Komhals zoon gelijken.
Kom, vliegen we in den strijd, ons hart zal niet bezwijken.
En, keert ge alleen, mijn vriend , ga naar Zelmaas hal,
En meld aan Morvens kroost de glorie van mijn’ val.
Breng Brannoos spruit het zwaard dat gy mijn’ arm zaagt voeren;
Dat zy ’t in later tijd aan Oskars heup moog snoeren!

    Ik keer en (andwoordt hy) na dat mijn halsvriend viel!
Wat dacht mijn Vader dan! wat Fingals grootsche ziel!
Geen lafaart zoo veracht, wiens oog my aan zou stralen,
Dan om my door ’t verwijt den boezem op te halen,
Als die mijn’ strijdgenoot in ’t plassend bloed verliet!
Neen, Lafaarts, zulk een hoon past Gals afkomst niet.
Gy zult my nimmer zien, dan van den roem omschenen!
De moed weet aan ’t gevaar een nieuwe kracht te ontleenen
Wat hoorde ik, mijn vriend, van schrikbre heldendan,
Door strijders, onverzeld, in ’t holst des noods, bestaan!

    Ja, zoon van Morni! ja, (hernam ik, voor zijne oogen
Langs de uitgebreide hei’ op eens voor uit gevlogen).
Onze Ouders zal het hart niet treuren om hun kroost,
Of roemen ’t om den moed, die ’t by hun dood vertroost!
Een straal van teedre vreugd zal in hunn’ boezem gloeien,
Wanneer hun de oogen ook van zilte tranen vloeien.
Hun hart zal zeggen: Ja, zy storten in hun bloed,
Maar ’t veld dt om hen ligt, draagt blijken van hunn’ moed.
Doch waarom thands van ’t graf, van ’t aaklig graf te melden!
De dapperheid des arms verdedigt dappre helden;
Maar de onvermijdbre dood vervolgt die voor haar vlucht,
En tijdgenoot noch kroost vereert hem met een zucht.
Wy vlogen middlerwijl door struiken en struweelen,
En kwamen aan een’ vloed, omgeven met abeelen,
En met het hemelblaauw van ’t helderspieglendst vocht
Het vijandlijke heir omarmende in zijn bocht.
Van d’oever zagen wy, aan ’t flikkren van hun wapen,
De benden, wijd en zijd, by kleine hoopen, slapen.
Hun vuur ging smeulende uit. Toch hoorden wy den tred
Der wachten, hier en ginds om ’t leger uitgezet,
Doch verre uit n verspreid, en van hun post verloopen.
Geen werstand deed zich op, de toegang stond ons open.
Ik stak mijn speer voor uit, terwijl ik nader trad,
Gereed, my met een’ sprong te heffen over ’t nat,
Als Gal my werhield met deze ontzetbre woorden:

       Hoe! zullen we in den slaap een’ weerlooz’ vijand moorden?
Betaamt het Fingals zoon, omsluierd van de nacht
Te loeren op een prooi, die hy bloeddorstig slacht?
Zal hy een schrikgeest zijn, die in de nacht gedompeld,
Het groeiend boomgewas onzichtbaar overrompelt?
Neen, ’t is een andre roem dien Fingal heeft behaald,
Of van de zilvren kruin van braven Morni straalt.
Sla, sla, het oorlogsschild, dat ’s vijands benden rijzen,
En laat me een strijdend heir de kracht mijns arms bewijzen !

   Mijn ziel verheugde zich in ’s Jonglings eedle taal.
Mijn tranen borsten uit en drupten op mijn staal.
Gy zult het (sprak ik), ja gy zult met glorie strijden.
De krijgseer, die u wacht, zal Mornies hart verblijden.
Doch stort u niet te diep in ’t dringende gevaar,
En neem in ’t heetst des strijds uws halsvriends sabel waar!
Slaan we onze handen saam, om ze in de purpren plassen
Van ’t afgetapte bloed vereeningd af te wasschen!
Hou, Gal, deze rots geduurzaam in ’t gezicht,
Wier steilte flaauwkens graauwt by ’t weemlend starrenlicht.
Wordt ’s vijands macht te sterk, zy dekke ons rug en lenden,
En dan bespringe ons vrij de keurbloem van zijn benden!

   Driewerven sloeg ik ’t schild. De vijand werd ontwaakt.
Wy stuiven op hem los, dat alles schokt en kraakt.
Zy vlieden hoopgewijs langs de onbegrensde heide,
En wanen ’t Fingals heir, in ’t vlieden voor ons beide.
Hun arm heeft kracht noch moed. Een ritslend veldgerucht
Verheft zich uit het dal by de algemeene vlucht.
Niet anders zuist het vuur dat woud en veld ontheistert,
Wanneer de schrikbre vlam door loof en takken kneistert
Toen, toen vloog Gals speer met ongeloofbre kracht!
Toen blonk zijn zwaard in ’t bloed van heel een legermacht!
De wakkre Kremor valt: Dunthormo wordt doorstoken;
En Letho stort in ’t bloed waar van de velden roken.
De speer snort door de zij’ van dappren Krotho heen,
En hecht hem met een struik in ’t vlieden vast aan een,
Als steunende op de punt. Het bloed, de wonde ontvloten,
Zijgt sijplend langs het hout, het lichaam doorschoten.
Kathmijn, vervolgd door ’t staal, beklimt een’ ouden eik,
Maar ’s Jonglings vlugge speer gaat boven zijn bereik,
De punt doorboort hem ’t hart, met sidderende leden
Zich krommende om een’ tak. Hy tuimelt naar beneden,
Hy valt, en wordt gevolgd van loverscheut en blad,
Dat Gals helm bestrooit en in zijn pluimen vat.

   Dit waren, Monies zoon, uw eerste heldendaden,
De borgen, dat uw moed u nimmer zou verraden! —
Maar sluimerde onderwijl de sabel aan uw zij’,
Gy, Fingals laatste loot, niet mijnder held dan hy?
Ik hieuw met d’oorlogskling door alles wat zich roerde.
’t Viel alles voor my ner, wat schild of wapen voerde,
En stortte als ’t spichtig gras dat voor de zeissen valt,
Wanneer zy over ’t veld door ’t rijzig halmtjen knalt.
Maar blindlings streven wy, als knapen, onbezonnen,
Den vluchtling in den rug, zoo fel wy volgen konnen.
Het morgengraauw breekt door : de kronkling van den stroom
Verzilvert zich om ’t veld, gelijk een mantelzoom.
De vijand zamelt zich; de nachtschrik is vervlogen,
En Lathmon draagt de woede in zijn verwonderde oogen.
Hy bijt de tanden saam, en blijft beweegloos staan.
Nu slaat hy ’t holle schild en voert zijn benden aan.
Ik zag ze, van omlaag, op een der heuvlen scharen,
En kon in ’t fel gelaat de bittre spijt ontwaren.

    Beschouwt gy ’s vijands macht (dus vroeg ik Mornies spruit)?
Zy zaamlen zich daar ginds op ’t holle krijgsgeluid.
Wy, keeren wy te rug, met deze moedbetooning
Te vren, en stellen we ons ter kondschap voor den koning.
Hy-zelf zal opstaan, en de vijand in een’ zwenk
Verstuiven met dat heir, voor zijn’ ontzagbren wenk.
Hy daalt de hoogtens af, ik zie hem herwaart naderen.
Kom brengen we onzen roem aan onzer beider Vaderen!
En lezen we in hun oog de vreugd van hun gemoed!

    Welaan dan, wijken wy, maar op eens krijgsmans voet!
(Hernam hy.) Dat m’ons niet den spotnaam doe bekomen
Van Helden by de nacht, die voor het daglicht schroomen!
Doch voer gy Gormars schild (die voor uw slagen viel)
Den grijzaart voor het oog, en streele ’t hun de ziel!

   Dus was ons-beider taal in ’t midden van de vlakte,
Terwijl ’t vijandelijk heir den heuvel nederzakte,
Als Zulmath, Duthaas Hoofd, die ons aan ’t wijken zag,
Het woord tot Lathmon voerde, en, met een schampren lach:
Wat toeft ge, Nuaths zoon, een duizend uit uw benden
(Dus sprak hy), eer me ontvli, op ’t tweetal af te zenden?
Hun blaauwend wapen glanst by ’t rijzend morgenlicht,
En ’k zie hun speer omhoog en van ons afgericht.

    Hoe nu (sprak Lathmon)! hoe! gy, moed- en krachtelooze?
Wat wilt gy? Dat mijn stam om Lathmons lafheid bloze?
Een duizend oorlogslin te zenden tegens twee!
Neen, blijve ons zwaard veeleer voor eeuwig in de sche!
Neen, ’t waar voor Nuaths hart een doodsteek, dit te hooren,
En de afkeer van zijn ziel waar me eeuwig toegezworen.
Ga, Hoofd van Dutha! ga, en spreek de Helden aan!
’k Herken in d’een van hun den stap van Ossiaan;
Zijn roem is mijner waard, wy zullen samen strijden.

   ’k Zie Zulmath: ’k hoor zijn last met innig zielsverblijden.
Ik gesp mijn schild wer op, dat langs mijn schouder shing,
En Gal wapent my met Mornies breeden kling. —
Wy keeren ijlings om, en Lathmon treedt my tegen.
Zijn heirspits volgt van verr’, maar floddrend in ’t bewegen,
Als ’t schomm’len van een wolk, die door het luchtruim trekt;
Maar ’t krijgshoofd droeg zich fier, van ’t glinstrend staal bedekt.

    Gy, zoon van Fingal (sprak de krijgsman), deze velden
Verkondigen uw’ moed in ’t bloed van onze helden.
Hoe velen liggen daar, door uwen arm geslacht!
Maar geef op Lathmons borst de blijken van uw kracht!
Hem moet ge by de geen die voor hem streden, vellen,
Of, dien verslagen’ hoop in ’t bloedig graf verzellen.
Nooit zegg’ men, dat mijn volk geslacht werd voor mijn oog,
En zonder dat ik ’t zwaard tot hun bescherming toog!
Nooit zal u zulk verwijt de tranen doen ontschieten,
Geliefde van mijn ziel! schoon al mijn bloed moest vlieten!

    En nimmer zegg’ men ook dat Fingals afkomst vlood
(Hernam ik)! zag ik me ook voor de open kaak der dood,
Blijmoedig trad ik toe met onvertrokken wezen,
En zeide ik : Zelvmaas Bard heeft nooit geleerd te vreezen;
Zijn vreugd is in ’t gevaar! — Maar Lathmon velt zijn speer.
Zy zinkt my dwars door ’t schild en langs mijn zijde ner.
Ik voelde ’t koude staal voorby mijn heup geglen.
Ik trek den sabel uit en houw de speer in twen.
De punt is onbebloed en glinstert in het gras,
En Nuaths oog ontvlamt van achter ’t zwaar rondas.
Hy ziet me in dezen stand de rechter zijde ontblooten,
En wringt zich om my ’t staal de ribben in te stooten,
Maar ijlings koomt mijn speer hem nog in ’t zwaaien voor,
Vliegt, als een bliksemstraal, zijn beuklaar door en door
En snijdt den armriem los. En, zonder af te breken,
Duikt ze achter hem in de aard, en blijft ’er trillend steken.
Zy nam den beuklaar me, die hangende op de lans,
By ’t schudden van heur hout verdubbelt in zijn’ glans.
Doch Lathmon, buiten slaat om de eenmaal aangenomen
Beweging van zijn lijf in ’t toeslaan in te toomen,
Valt, schoon ontwapend, toe en stort zich, in zijn vaart,
Met de onbedekte borst op ’t hem verwachtend zwaard.
Dit ziet ge, Gal, en den wakkren held genegen,
Strekt ge ijlings in zijn’ val uw’ beuklaar voor mijn’ degen,
En redt den vijand zelf, het reeds vrloren licht.

   Hy zag het, en de traan ontsprong hem op ’t gezicht.
Hy smeet zijns Vaders zwaard weemoedig langs de velden:
Neen (sprak hy) ’k voer geen’ Krijg met de edelste aller helden.
De dood is op uw staal, de hemel in uw hart,
Gy, Krijgers, welke jeugd de grootste strijder tart!
Dat m’in Nuaths hal uw glorie dus zag schitteren!
Mijn nerlaag zou den vorst het leven niet verbitteren,
Maar ’t waar zijn ziel tot troost, indien mijn arm bezweek,
Dat Lathmon in ’t gevecht voor geene oneedlen week. —
Doch wie genaakt daar ginds met zulke ontzagbre stappen?
De heuvels staan in ’t rond te daavren van zijn trappen!
’t Zweeft om zijn blank rapier van geesten af en aan,
Die op den glans van ’t staal een oog van siddring slaan!
Gelukkig zijt ge, Vorst vna Morvens bergspelonken!
Uw kroost mag voor uw oog met de elste palmen pronken!
Zy streven voor u uit in ’t schittrend veld van eer,
En keeren met den roem van de overwinning wer!

   De Koning naderde, met blijken van genoegen
Op ’t minlijk aangezicht. Een hevig boezemzwoegen
Vertoonde in Mornies hart de schokken van de vreugd,
Daar ’t smeltend oog van glom, en zegende onze jeugd.
Nu waren we in de Hal ten feestdisch aangezeten.
De drinkhoorn gin in ’t rond en deed de zorg vergeten.
Het zangrig Maagdenchoor verscheen in de opperzaal,
En hief den lofgalm aan op onzen zegepraal.
’t Zag Everallins kaak van zachten blos bevangen!
Haar hair om d’elpen hals met dartle lokken hangen!
Haar oog met steelschen lonk gericht op Ossiaan!
En ’k voelde ’t wellend hart met zoete ontroernis slaan.
Zy tokkelde de harp, mijn ziel versmolt in weelde,
En sidderde in de snaar waarop heur vinger speelde.

   Vorst Fingal rees in ’t eind van zijn’ verheven’ stoel
Hy hief den arm omhoog en ’t daavrend feestgejoel
Zweeg ijlings. Tremmors zwaard hing aan zijn heup te wapperen.
Hy vatte ’t woord en sprak : Gy, Hoofd van Duthaes dapperen;
Wat dreef u (meldt my dit!) op Morvens grondgebied?
Wy immers plondren ’t erf eens zwakken nabuurs niet.
Of kwamen we ooit uw grens met wapenschrik beroeren?
Neen, Fingal haat den krijg, al weet hy krijg te voeren.
Mijn roem is, de overmacht te teuglen door het zwaard:
De trotsche beve er voor! Die glorie is my waard!
Helaas! de slag vangt aan, de braafste helden vallen!
Mijn volk versmelt als sneeuw by gantsche honderttallen!
Hun graven groeien aan langs de uitgestrekte hei!
En ik, die zegevier, ik zie het aan en schrei!
Maar ’t noodlot wilde ’t zoo: ik moet mijn’ roem beschermen!
Gy, Lathmon, keer te rug en in uws vaders armen.
Maar wend uw wapens tegens andren. Morvens bloed
Wordt nooit vergeefs getrotst, maar fnuikt den overmoed.

      1803.


Aantekening van de Dichter:

de Held.

Fingal.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 23 september 1997