Geen feestgalm, geen geruisch in
Zalmaas koningszalen?
Geen jachthoorn, geen rumoer in Morvens dorrend woud!
De heuvel bakert zich by t vuur der Zonnestralen;
De blonde golf alleen vertoont zich boven t zout.
Gelijk in t neevlig graauw der wolken
De boog die t aardrijk overspant,
Zoo praalt by t blaauw der waterkolken,
De maagdenkring op t eenzaam strand.
Zy turen naar den kant van Erins groene boorden
Met vlammende oogen heen, en zoeken s Konings vloot.
Zijn weêrkomst was bepaald, maar t wederstrevig Noorden
Verheft zich over t vlak van s waters hollen schoot.
Wie koomt daar van de bergkim stroomen,
Als t golven van een donkren vloed?
t Is Lathmons talrijke Oorlogsstoet.
Hy heeft in zijn gebergt van Fingals tocht vernomen,
En t Noorder koeltjen geeft hem moed.
Zijn ziel verheugt zich vast in t denkbeeld van t
verwinnen!
t Verwinnen Lathmon! en van wien?
Wat dolheid speelt u door de zinnen!
Wie is er om u weer te biên?
Of koomt ge, om weerelooze vrouwen,
Om Morvens maagdenrei, te dagen tot den slag?
Om zwakke kinders neêr te houwen,
Wier arm geen zwaard verheffen mag?
Maar sta, ô bergstroom, zoo
vermeten!
Hou stand in uwen loop, hou stand!
Wend, Lathmon, wend uw oog naar t strand,
En zie in t blaauw verschiet dees uitgebreide keten
Van zeilen, die de Wind naar onze kusten spant.
Verbleekt ge, en voelt ge uw krijgsmoed zinken?
Gewis, de stormbui naakt, die u de kruin vermaalt!
t Zijn Fingals wapens die daar blinken,
Zijn wraakzwaard heeft u achterhaald!
Wy rolden op den rug der tuimlende
golven,
En zagen doever reeds, in graauwe mist bedolven,
Wen Fingal met een schrik van uit de sluimring schoot,
De hand aan t wapen sloeg, en t lemmer had ontbloot.
Zijn helden rezen op. Wy zagen t voorhoofd glimmen,
En de oogen, van t gezicht der Vaderlijken schimmen
Met aakligheid vervuld. Want dikwerf werd zijn koets
Van t zwervend Geestendom der helden zijnes bloeds
Bezocht, wen s vijands zwaard het Vaderland bestookte,
Of t smeulend oorlogsvuur op onze heuvels rookte.
« Waar weekt ge, ô Zuidenwind, of waar versteekt ge
u-zelv?
» (Dus sprak hy) Bruischt ge, in t hol van t onder
aardsch gewelf,
» De rijke kamers door van t schattenteelend Zuien?
» Of jaagt ge aan verre kust de zwangre donderbuien?
» Wat weigert ge aan mijn zeil, aan dees mijn waterbaan,
» Den adem dien gy voert, en houdt mijn kielen staan?
» Ach! Morven is in nood! zijn Koning op de baren,
» En t Vaderland een prooi van vreemde Legerscharen!
» Maar neen! ik voel den wind, die van den middag zuist.
» Te wapen, Heldenkroost! het steigrend water bruischt!
» Wy naadren. In t geweer! het harnas aan de leden,
» De speeren over t boord, de fabels uit de scheden!
» t Is Lathmon, dien we op t strand aan t
hoofd zijns legers zien:
» Hy, dien ge op Lonaas veld voor Fingals arm zaagt vliên!
» Hy vlood, maar keert te rug als t nat der wintervlieten,
» En koomt met nieuw gebruisch door onze heuvlen schieten.
»
Dus klonk des Konigns taal. Wy
streefden snel door zee,
En kwamen met de vloot in Kormons bocht ter ree.
Ik klom de strandrots op, en sloeg herhaalde malen
Dalarmklank op mijn schild. De weêrgalm van de dalen
Herhaalde t hol geluid, en joeg het schichtig hert
Uit bosch en leger op. De vijand stond benard.
Stokoude Morni zat, bedekt met
zilvren hairen
Aan Strumons waterkant, in schaâuw der hazelaren.
t Vooroverhellend lijf, als buigende over t graf,
Werd door den arm geschraagd, zich steunende op den staf.
De jonge Gaöl hoort, met de oogen neêrgeslagen,
Zijn Vader van zijn jeugd en oorlogsroem gewagen.
Vaak vliegt hy by t verhaal van s Grijzaarts
heldendaân,
Als ware t vlammende, op, en ziet den heml aan.
Maar t daavren van mijn schild klinkt douden Held in
de ooren.
Hy kent dien wapenroep, en grimlacht hem te hooren.
Met drift verrijst hy van zijn zitplaats, schudt het hoofd,
En t heldenvuur vlamt op, in de oogen reeds gedoofd.
« Mijn Zoon (dus luidt zijn taal),
ik hoor den beuklaar klinken!
» Vorst Fingal kwam te rug: zijn witte zeilen blinken
» Den Over in t gezicht, en streven naar den wal.
» Ga, haal mijn oorlogsdosch uit Strumoos wapenhal.
» Maar breng my t lichte schild, het geen mijn Vader
voerde
» Wanneer hem de ouderdom den slappen arm beroerde,
» De mijne is ook verzwakt. Gy, steek u in t geweer,
» Vlieg in uw eersten strijd, en streef naar wapenëer!
» ô Moge uw arm in kracht voor geen der Vaadren wijken!
» Uw loop in t oorlogsveld des aadlaars vlucht gelijken!
» Wat zoudt ge een dood ontzien, van braven steeds
gewenscht!
» De dappre valt met roem; een roem, die nooit verflenst!
» Zijn beuklaar stuit den stroom by t zwellen der gevaren,
» En onverganklijke eer omstraalt zijn zilvren hairen.
» Mijn Gaöl, ziet ge alom mijn grijsheid niet vereerd?
» t Is Morni, roept men uit, waar heen mijn voet zich
keert.
» De Jeugd ontmoet my niet dan met ontzagbetooning,
» En staart my zwijgend na! Hoe zoet is die beloning!
» Maar nimmer vluchtte ik ook: het schittren van mijn staal
» Wees, waar t het donkerst stond, den weg ten zegepraal.
» De vreemdeling versmolt, de machtigen bezweken,
» Waar ik in t veld verscheen om Legers door te breken. »
De Jongling ging en bracht de
wapens. De oude Held
Staat overdekt van t staal, en stapt naar t
oorlogsveld.
Zijn hand beknelt de speer, in menigte gevechten
Besprengeld met het bloed van Komhals oorlogsknechten.
Zijn Zoon treedt aan zijn zij. Zij naadren Morvens
Vorst,
En s Grijzaarts achtbre tred verheugde s Konings
borst.
Hy rijst, en groet den held. « Hoe
(zegt hy) konde ik wachten
» Hier Strumons Vorst te zien na t slinken van zijn
krachten!
» Vaak scheent ge in t heetst des strijds, omflikkerd van
het staal,
» Gelijk by t rijzend licht der blijde morgenstraal
» Die de onweêrsbuien sloopt waar ze om den hemel hangen.
» Doch waarom doet ge uw arm niet eindlijk rust erlangen?
» Uw roem weêrgalmt alom in t klinkend Bardenlied!
» Wie zegent Mornies kruin, of wie zijn daden niet!
» Wat dwingt ge uw ouderdom tot nieuwe heldenblijken?
» De vijand, strijdbre Vorst, zal ook voor Fingal wijken. »
Hy andwoord: « Komhals Zoon! gy
weet, wie Morni was.
» Helaas! de kracht verwelkt gelijk het heuvelgras.
» Neen, t is dees arm niet meer, die helden kuisters
smeedde,
» Ik sla de hand aan t zwaard, maar t klemt zich in
de schede,
» En stelt mijn drift te loor. Ik werp de Legerspeer;
» Zy valt my verr van t merk en voor mijn voeten
neêr.
» Ik voel het koopren schild mijn matten arm bezwaren.
» Zie daarde dwinglandij der opgehoopte jaren!
» Maar, Fingal, k heb een Zoon in s levens
eerste bloem,
» Wiens borst van ijver gloeit voor douderlijken roem;
» Doch nooit nog heeft hy t zwaard in doorlog
opgeheven:
» Hem voere ik naar den krijg om op mijn spoor te streven.
» Zijn onbedreven arm te stieren in den slag,
» Zie daar mijn eenig doel, en wat ik nog vermag!
» ô Mag de roem diens Zoons den mijnen doen vergeten!
» Hoe zalig zal ik my in dees mijn zwakheid heeten!
» Hoe zalig, zoo de jeugd, uit eerbied voor zijn moed,
» My met geen andren naam dan van zijn Vader groet!
»
« Ja, Vorst (hernam de Held) hy zal in t oorlogstreffen,
» (Gy wilt het, k ben te vreên) zijn blinkend zwaard
verheffen;
» Maar t zal aan Fingals zij, en voor zijne oogen
zijn.
» Mijn arm zal Mornies bloed beschermen als het mijn.
» Gy, rust in Zelmaas hal, en hoor de fixe snaren
» Der feestharp uwen lof aan dien van Fingal paren.
» Beveel het feestgezang, en stem de melody
» Dat wie er sneuvlen moog zich in zijn roem
verblij,
» En uw aandoenlijk hart zich aan de vreugden open!
» Mijn Zoon (uw legerspeer is reeds met bloed bedropen),
» Leid Gaöl in t gevecht, en wees zijn strijdgenoot;
» Maar wijk niet van mijn zijde, en geef u nergens bloot!
» De vijand mocht u licht omcinglen onder t strijden,
» En ik uw teedre jeugd ontijdig af zien snijden. »
Ik zag den Jongling in zijn waapnen.
t Heldenvier
Blonk tintlend uit zijn oog. Zijn vriendschap werd my dier.
Mijn teêrheid vloot de zijne in onze omarming tegen.
Wy weken achter t bosch en toonden ons den degen.
We aanschouwden t blaauwend staal met kinderlijke zucht,
En proefden arm en zwaard in t klieven van de lucht.
t Was avond. Fingal zal by
t licht der eikenstammen,
en Morni aan zijn zij; de rosse gloed der vlammen
Verguld t zilvren hair dat langs zijn slapen droop.
Zy onderhielden zich van t hooploos tijdsverloop,
En de onnavolgbre daân dr langverstorven helden,
Terwijl het Bardenchoor den toon der harpsnaar stelden.
Ullijn begon den zang. Van Komhal was zijn lied;
Maar Mornies wenkbrauw zonk van heimlijk zielsverdriet.
Een oogwenk, vol van ernst, scheen tot den Bard te spreken,
En s Dichters heldenzang bleef in den aanvang steken.
De koning zag den Held met vriendelijke oogen aan:
« Van waar, ô Strumons Vorst, dus hevig aangedaan?
» (Dus sprak hy) schuif t gordijn voor de ouderlijke vede!
» Onze ouders voerden Krijg, wy vierden t feest der Vrede.
» Ons beider oorlogszwaard is tegen hem gekant,
» Die zich de vijand toont van t dierbaar Vaderland.
» Hy zwichte in t veld van eer voor uw, voor Fingals
slagen!
» Ja, schuiven wy t gordijn voor de afgeloopen dagen! »
« Neen, Vorst van Morven (sprak de
Grijzaart) wees gerust!
» k Herkende uws Vaders roem met teedre hartelust.
» Hy was in t oorlogsveld ontzaglijk in zijn woede.
» Mijn tranen biggelden, wanneer zijn hart verbloedde.
» Helaas! de zwakke blijft, de dappren zijn niet meer!
» Wat helden heb ik niet zien sneuvlen door t geweer!
» Toch schuwde ik geen gevaar, noch trachtte om hem te
ontvlieden,
» Wiens arm ik nooit met eer den tweestrijd aan mocht bieden.
« Doch, Fingal, t wordt reeds
laat, de sluimring eischt heur recht,
» En de ochtend roept ons licht met Lathmon in gevecht.
» Ik hoor t geruisch zijns heirs als t afgelegen
rommelen
» Van donders in t gebergt, die langs de heuvels
stommelen.
» Gy, strijdbre Ossiaan, en Gaöl, ô mijn zoon!
» Uw Jonkheid, vlug ter been, is t klautren best gewoon.
» Gaat, neemt den vijand waar, van achter t
struikgebladert;
» Doch wacht u, dat gy hem op korter afstand nadert!
» Uw vaders zijn er niet, tot steunsel van uw moed.
» De roekloosheid der jeugd wordt al te zwaar geboet ! »
Zoo sprak hy. s Gryzaarts last
verrukte ons t jeugdig harte
Het rammlen van ons staal was hoorbaar in de verte.
Wy streefden naar de rots, omzet met struikgewas.
t Gestarnte blonk als goud om s Hemels draaiende as;
De schimmen zweefden langs de velden, en we erkenden
Het gonzende gerucht der vijandlijke benden.
t Was toen, dat Gaöls moed, terwijl hy t blanke
staal
Ten halve hield ontbloot, zich uitstorten in dees taal:
«« Mijn halsvriend (riep hy uit)!
wat gloeit my zoo door de aderen?
»» Mijn boezem klopt en schokt, daar wy den vijand naderen.
»» Ik zie hem slechts van verr, en t duizelt in
mijn hoofd,
»» Ja, k voel mijn voetstap-zelv van
zekerheid beroofd,
»» Mijn hand beeft op t gevest des degens aan mijn zijde!
»» Voelt zich de dappre zoo, wanneer hy brandt ten strijde?
»» Het leger ligt ter rust. Wat vreugd voor Mornies ziel,
»» Indien zijn zoon met u op s vijands benden viel!
»» Gewis, ons beider roem zou tot den hemel rijzen,
»» En wy, de kracht van t bloed aan t heldenvolk
bewijzen. »»
» Mijn ziel (herman ik straks)
schept lust in t krijgsgevaar.
» Ik blake om ook mijn naam aan de eedle harpensnaar
» Te leevren. Maar, mijn vriend! wy wierden afgeslagen!
» Hoe zoude ik ooit den blik van Fingals oog verdragen?
» Ontzachlijk is die blik, schrikbrer dan de dood.
» Maar neenm, ik vrees dien niet, mijn eedle strijdgenoot!
» Verwinnen zal mijn arm, of in de poging sterven.
» Maar zal een nederlaag mijn poging roem verwerven?
» Ach! de overwonnen held gaat als een schim voorby.
» Maar neen, de heldenroem is weggelegd voor my!
» Mijn daden zullen die nvan Komhals zoon gelijken.
» Kom, vliegen we in den strijd, ons hart zal niet bezwijken.
» En, keert ge alleen, mijn vriend ,ô ga naar Zelmaas hal,
» En meld aan Morvens kroost de glorie van mijn val.
» Breng Brannoos spruit het zwaard dat gy mijn arm zaagt
voeren;
» Dat zy t in later tijd aan Oskars heup moog snoeren! »
«« Ik keer en (andwoordt hy) na
dat mijn halsvriend viel!
»» Wat dacht mijn Vader dan! wat Fingals grootsche ziel!
»» Geen lafaart zoo veracht, wiens oog my aan zou stralen,
»» Dan om my door t verwijt den boezem op te halen,
»» Als die mijn strijdgenoot in t plassend bloed
verliet!
»» Neen, Lafaarts, zulk een hoon past Gaöls afkomst niet.
»» Gy zult my nimmer zien, dan van den roem omschenen!
»» De moed weet aan t gevaar een nieuwe kracht te
ontleenen
»» Wat hoorde ik, ô mijn vriend, van schrikbre heldendaân,
»» Door strijders, onverzeld, in t holst des noods,
bestaan! »»
» Ja, zoon van Morni! ja, (hernam
ik, voor zijne oogen
» Langs de uitgebreide hei op eens voor uit gevlogen).
» Onze Ouders zal het hart niet treuren om hun kroost,
» Of roemen t om den moed, die t by hun dood
vertroost!
» Een straal van teedre vreugd zal in hunn boezem gloeien,
» Wanneer hun de oogen ook van zilte tranen vloeien.
» Hun hart zal zeggen: Ja, zy storten in hun bloed,
» Maar t veld dt om hen ligt, draagt blijken van
hunn moed.
» Doch waarom thands van t graf, van t aaklig graf
te melden!
» De dapperheid des arms verdedigt dappre helden;
» Maar de onvermijdbre dood vervolgt die voor haar vlucht,
» En tijdgenoot noch kroost vereert hem met een zucht. »
Wy vlogen middlerwijl door struiken en struweelen,
En kwamen aan een vloed, omgeven met abeelen,
En met het hemelblaauw van t helderspieglendst vocht
Het vijandlijke heir omarmende in zijn bocht.
Van doever zagen wy, aan t flikkren van hun wapen,
De benden, wijd en zijd, by kleine hoopen, slapen.
Hun vuur ging smeulende uit. Toch hoorden wy den tred
Der wachten, hier en ginds om t leger uitgezet,
Doch verre uit één verspreid, en van hun post verloopen.
Geen weêrstand deed zich op, de toegang stond ons open.
Ik stak mijn speer voor uit, terwijl ik nader trad,
Gereed, my met een sprong te heffen over t nat,
Als Gaöl my weêrhield met deze ontzetbre woorden:
«« Hoe! zullen we in
den slaap een weerlooz vijand moorden?
»» Betaamt het Fingals zoon, omsluierd van de nacht
»» Te loeren op een prooi, die hy bloeddorstig slacht?
»» Zal hy een schrikgeest zijn, die in de nacht gedompeld,
»» Het groeiend boomgewas onzichtbaar overrompelt?
»» Neen, t is een andre roem dien Fingal heeft behaald,
»» Of van de zilvren kruin van braven Morni straalt.
»» Sla, sla, het oorlogsschild, dat s vijands benden
rijzen,
»» En laat me een strijdend heir de kracht mijns arms bewijzen
! »»
Mijn ziel verheugde zich in s
Jonglings eedle taal.
Mijn tranen borsten uit en drupten op mijn staal.
« Gy zult het (sprak ik), ja gy zult met glorie strijden.
» De krijgseer, die u wacht, zal Mornies hart verblijden.
» Doch stort u niet te diep in t dringende gevaar,
» En neem in t heetst des strijds uws halsvriends sabel
waar!
» Slaan we onze handen saam, om ze in de purpren plassen
» Van t afgetapte bloed vereeningd af te wasschen!
» Hou, Gaöl, deze rots geduurzaam in t gezicht,
» Wier steilte flaauwkens graauwt by t weemlend
starrenlicht.
» Wordt s vijands macht te sterk, zy dekke ons rug en
lenden,
» En dan bespringe ons vrij de keurbloem van zijn benden! »
Driewerven sloeg ik t schild.
De vijand werd ontwaakt.
Wy stuiven op hem los, dat alles schokt en kraakt.
Zy vlieden hoopgewijs langs de onbegrensde heide,
En wanen t Fingals heir, in t vlieden voor ons beide.
Hun arm heeft kracht noch moed. Een ritslend veldgerucht
Verheft zich uit het dal by de algemeene vlucht.
Niet anders zuist het vuur dat woud en veld ontheistert,
Wanneer de schrikbre vlam door loof en takken kneistert
Toen, toen vloog Gaöls speer met ongeloofbre kracht!
Toen blonk zijn zwaard in t bloed van heel een legermacht!
De wakkre Kremor valt: Dunthormo wordt doorstoken;
En Letho stort in t bloed waar van de velden roken.
De speer snort door de zij van dappren Krotho heen,
En hecht hem met een struik in t vlieden vast aan een,
Als steunende op de punt. Het bloed, de wonde ontvloten,
Zijgt sijplend langs het hout, het lichaam doorschoten.
Kathmijn, vervolgd door t staal, beklimt een ouden
eik,
Maar s Jonglings vlugge speer gaat boven zijn bereik,
De punt doorboort hem t hart, met sidderende leden
Zich krommende om een tak. Hy tuimelt naar beneden,
Hy valt, en wordt gevolgd van loverscheut en blad,
Dat Gaöls helm bestrooit en in zijn pluimen vat.
Dit waren, Monies zoon, uw eerste
heldendaden,
De borgen, dat uw moed u nimmer zou verraden!
Maar sluimerde onderwijl de sabel aan uw zij,
Gy, Fingals laatste loot, niet mijnder held dan hy?
Ik hieuw met doorlogskling door alles wat zich roerde.
t Viel alles voor my neêr, wat schild of wapen voerde,
En stortte als t spichtig gras dat voor de zeissen valt,
Wanneer zy over t veld door t rijzig halmtjen knalt.
Maar blindlings streven wy, als knapen, onbezonnen,
Den vluchtling in den rug, zoo fel wy volgen konnen.
Het morgengraauw breekt door : de kronkling van den stroom
Verzilvert zich om t veld, gelijk een mantelzoom.
De vijand zamelt zich; de nachtschrik is vervlogen,
En Lathmon draagt de woede in zijn verwonderde oogen.
Hy bijt de tanden saam, en blijft beweegloos staan.
Nu slaat hy t holle schild en voert zijn benden aan.
Ik zag ze, van omlaag, op een der heuvlen scharen,
En kon in t fel gelaat de bittre spijt ontwaren.
« Beschouwt gy s vijands
macht (dus vroeg ik Mornies spruit)?
» Zy zaamlen zich daar ginds op t holle krijgsgeluid.
» Wy, keeren wy te rug, met deze moedbetooning
» Te vreên, en stellen we ons ter kondschap voor den koning.
» Hy-zelf zal opstaan, en de vijand in een zwenk
» Verstuiven met dat heir, voor zijn ontzagbren wenk.
» Hy daalt de hoogtens af, ik zie hem herwaart naderen.
» Kom brengen we onzen roem aan onzer beider Vaderen!
» En lezen we in hun oog de vreugd van hun gemoed! »
« Welaan dan, wijken wy, maar op
eens krijgsmans voet!
» (Hernam hy.) Dat mons niet den spotnaam doe bekomen
» Van Helden by de nacht, die voor het daglicht schroomen!
» Doch voer gy Gormars schild (die voor uw slagen viel)
» Den grijzaart voor het oog, en streele t hun de ziel!
Dus was ons-beider taal in t
midden van de vlakte,
Terwijl t vijandelijk heir den heuvel nederzakte,
Als Zulmath, Duthaas Hoofd, die ons aan t wijken zag,
Het woord tot Lathmon voerde, en, met een schampren lach:
« Wat toeft ge, ô Nuaths zoon, een duizend uit uw benden
» (Dus sprak hy), eer me ontvliê, op t tweetal af te
zenden?
» Hun blaauwend wapen glanst by t rijzend morgenlicht,
» En k zie hun speer omhoog en van ons afgericht. »
« Hoe nu (sprak Lathmon)! hoe! gy,
moed- en krachtelooze?
» Wat wilt gy? Dat mijn stam om Lathmons lafheid bloze?
» Een duizend oorlogsliên te zenden tegens twee!
» Neen, blijve ons zwaard veeleer voor eeuwig in de scheê!
» Neen, t waar voor Nuaths hart een doodsteek, dit te
hooren,
» En de afkeer van zijn ziel waar me eeuwig toegezworen.
» Ga, Hoofd van Dutha! ga, en spreek de Helden aan!
» k Herken in deen van hun den stap van Ossiaan;
» Zijn roem is mijner waard, wy zullen samen strijden.»
k Zie Zulmath: k hoor
zijn last met innig zielsverblijden.
Ik gesp mijn schild weêr op, dat langs mijn schouder shing,
En Gaöl wapent my met Mornies breeden kling.
Wy keeren ijlings om, en Lathmon treedt my tegen.
Zijn heirspits volgt van verr, maar floddrend in t
bewegen,
Als t schommlen van een wolk, die door het luchtruim
trekt;
Maar t krijgshoofd droeg zich fier, van t glinstrend
staal bedekt.
« Gy, zoon van Fingal (sprak de
krijgsman), deze velden
» Verkondigen uw moed in t bloed van onze helden.
» Hoe velen liggen daar, door uwen arm geslacht!
» Maar geef op Lathmons borst de blijken van uw kracht!
» Hem moet ge by de geen die voor hem streden, vellen,
» Of, dien verslagen hoop in t bloedig graf
verzellen.
» Nooit zegg men, dat mijn volk geslacht werd voor mijn
oog,
» En zonder dat ik t zwaard tot hun bescherming toog!
» Nooit zal u zulk verwijt de tranen doen ontschieten,
» Geliefde van mijn ziel! schoon al mijn bloed moest vlieten! »
« En nimmer zegg men ook dat
Fingals afkomst vlood
» (Hernam ik)! zag ik me ook voor de open kaak der dood,
» Blijmoedig trad ik toe met onvertrokken wezen,
» En zeide ik : Zelvmaas Bard heeft nooit geleerd te vreezen;
» Zijn vreugd is in t gevaar! » Maar Lathmon velt
zijn speer.
Zy zinkt my dwars door t schild en langs mijn zijde neêr.
Ik voelde t koude staal voorby mijn heup gegleên.
Ik trek den sabel uit en houw de speer in tweën.
De punt is onbebloed en glinstert in het gras,
En Nuaths oog ontvlamt van achter t zwaar rondas.
Hy ziet me in dezen stand de rechter zijde ontblooten,
En wringt zich om my t staal de ribben in te stooten,
Maar ijlings koomt mijn speer hem nog in t zwaaien voor,
Vliegt, als een bliksemstraal, zijn beuklaar door en door
En snijdt den armriem los. En, zonder af te breken,
Duikt ze achter hem in de aard, en blijft er trillend
steken.
Zy nam den beuklaar meê, die hangende op de lans,
By t schudden van heur hout verdubbelt in zijn glans.
Doch Lathmon, buiten slaat om de eenmaal aangenomen
Beweging van zijn lijf in t toeslaan in te toomen,
Valt, schoon ontwapend, toe en stort zich, in zijn vaart,
Met de onbedekte borst op t hem verwachtend zwaard.
Dit ziet ge, ô Gaöl, en den wakkren held genegen,
Strekt ge ijlings in zijn val uw beuklaar voor
mijn degen,
En redt den vijand zelf, het reeds vêrloren licht.
Hy zag het, en de traan ontsprong
hem op t gezicht.
Hy smeet zijns Vaders zwaard weemoedig langs de velden:
» Neen (sprak hy) k voer geen Krijg met de edelste
aller helden.
» De dood is op uw staal, de hemel in uw hart,
» Gy, Krijgers, welke jeugd de grootste strijder tart!
» ô Dat min Nuaths hal uw glorie dus zag schitteren!
» Mijn neêrlaag zou den vorst het leven niet verbitteren,
» Maar t waar zijn ziel tot troost, indien mijn arm
bezweek,
» Dat Lathmon in t gevecht voor geene oneedlen week.
» Doch wie genaakt daar ginds met zulke ontzagbre stappen?
» De heuvels staan in t rond te daavren van zijn trappen!
» t Zweeft om zijn blank rapier van geesten af en aan,
» Die op den glans van t staal een oog van siddring slaan!
» Gelukkig zijt ge, ô Vorst vna Morvens bergspelonken!
» Uw kroost mag voor uw oog met de eêlste palmen pronken!
» Zy streven voor u uit in t schittrend veld van eer,
» En keeren met den roem van de overwinning weêr! »
De Koning naderde, met blijken van
genoegen
Op t minlijk aangezicht. Een hevig boezemzwoegen
Vertoonde in Mornies hart de schokken van de vreugd,
Daar t smeltend oog van glom, en zegende onze jeugd.
Nu waren we in de Hal ten feestdisch aangezeten.
De drinkhoorn gin in t rond en deed de zorg vergeten.
Het zangrig Maagdenchoor verscheen in de opperzaal,
En hief den lofgalm aan op onzen zegepraal.
t Zag Everallins kaak van zachten blos bevangen!
Haar hair om delpen hals met dartle lokken hangen!
Haar oog met steelschen lonk gericht op Ossiaan!
En k voelde t wellend hart met zoete ontroernis
slaan.
Zy tokkelde de harp, mijn ziel versmolt in weelde,
En sidderde in de snaar waarop heur vinger speelde.
Vorst Fingal rees in t eind
van zijn verheven stoel
Hy hief den arm omhoog en t daavrend feestgejoel
Zweeg ijlings. Tremmors zwaard hing aan zijn heup te wapperen.
Hy vatte t woord en sprak : « Gy, Hoofd van Duthaes
dapperen;
» Wat dreef u (meldt my dit!) op Morvens grondgebied?
» Wy immers plondren t erf eens zwakken nabuurs niet.
» Of kwamen we ooit uw grens met wapenschrik beroeren?
» Neen, Fingal haat den krijg, al weet hy krijg te voeren.
» Mijn roem is, de overmacht te teuglen door het zwaard:
» De trotsche beve er voor! Die glorie is my waard!
» Helaas! de slag vangt aan, de braafste helden vallen!
» Mijn volk versmelt als sneeuw by gantsche honderttallen!
» Hun graven groeien aan langs de uitgestrekte hei!
» En ik, die zegevier, ik zie het aan en schrei!
» Maar t noodlot wilde t zoo: ik moet mijn
roem beschermen!
» Gy, Lathmon, keer te rug en in uws vaders armen.
» Maar wend uw wapens tegens andren. Morvens bloed
» Wordt nooit vergeefs getrotst, maar fnuikt den overmoed.
1803.
Fingal. |
Ingezonden: 23 september 1997