Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan Panarete, by het hooren van haar dichtstuk op mijn afbeelding.

Met welk gelaat kan ik uw grootschen zangen,
   Met lof vervuld, die my zoo weinig past —
Met welk een oog uw dierbre lof ontfangen,
   ˘ Zangheldin, die dus mijn hart verrast!
Ach! is de kunst der zalige Englenchoren,
   Dat Hemelsch oog, van onweŕrstaanbre kracht,
Dan niet genoeg om door een hart te boren
   Dat, als gy zingtr in zijn gevoel versmacht?
Nog zwaait me uw hand (een hand, die duizendmalen
   Te waardig is, dat haar mijn mond genaakt!)
Een’ wierook toe, als in geen Koningszalen
   Voor Aardsche Go˘n zoo geestbedwelmend blaakt
˘ Kunstsireen! ˘ Zangster, zoo vermogend!
   ˘ Spaar een hart dat u niet kan weŕrstaan!
Wees minder goed, maar toon u meer meŕdogend,
   En schenk me alleen een’ deernisvollen traan!

      1796.

Londen.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 september 1997