Willem Bilderdyk (1756-1831)

Reisgroet, aan ***, by zijn vertrek naar Friesland.

De snoode moge in Onwerwinden
   En ’t branden van een woeste zee,
Een moedbenemend voorspook vinden!
Voor u, waarste mijner vrinden,
   Voor u zijn lucht en vloed gedwee!

Word’ gy langs gladgeklemde baren,
   Van ’t zachte Westen flaauw beroerd,
Door Tritons vlugge waterscheren
Beveiligd voor de zeegevaren,
  Aan Frizoos vrije kust gevoerd!

Vlieg heen, gerust en blij te moede,
   Waar de eer u roept, de roem u wacht!
De Steenbok blink’, de Winter woede,
Uw kiel steekt af in Venus hoede,
  En de Oceaan erkent heur macht.

Godes, die duizend starrenreien
   Ten Hemelheirbaan op geldt!
Gy zult ook deze hulk geleien,
En zoele Lenteschaduw spreien
  Voor barre Winterduisterheid!

En Gy vooral, die uit den hoogen
   Vertrouwlijke eenzaamheid bespiedt!
Gy, Nachtvorstin der Hemelbogen,
Die met een onbepaald vermogen
  Op ’t bruischend Element gebiedt!

Godes, (want op uw wenken wassen
   Of slinken, rijzen, dalen, staan,
Naar ’t wenden van uw zilvren assen,
De ontzachlijke waterplassen
  Van meir, van stroom, en Oceaan.)

Godes, schiet liefelijker stralen
   Op ’t duurbevrachte Vaartuige ner,
Dan ge ooit op Latmos kruin liet dalen;
En schenk mijn’ Vriend in Frieslands palen
  Aan ’t Recht, aan de Eer, de Vriendschap, wer!

Ex tempore,
        In Amsterdam,
den 30 van Wintermaand,
1781.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 september 1997