Willem Bilderdyk (1756-1831)

Troostzang.

Niet altijd druipt het vochtig Zuien
Van saamgepreste regengbuien;
   Niet altijd giert het buldrend Nood;
Het meir laat eenmaal af van woelen;
De Zomerbranding laat zich koelen;
   De kalmte drijft het onwer voort.

Hoe lang dan zal, na zoo veel weken,
Uw oog van stage tranen leken,
   Uw hart nog bloeden, dierbre vrind?
Hoe lang, hoe lang zult gy ’t verschelen
Der lieve Moeder nog beschreien,
   Die ge immers door geen’ rouw herwint?

Doe in ’t eind dien storm bedaren:
Stil, stil die opgeruide baren,
   Die zich verheffen in uw ziel.
De werspoed moog den wijze treffen,
Hy buigt, maar zal zich wer verheffen: —
   Die nerzijgt, boog niet maar hy viel.

Zoo ziet men zwakke rozenstrruiken
Het hoofd in ’t mulle zandbed duiken,
   Geknakt, ontworteld, uitgerukt.
Maar de Eik staat pal, verduurt de slagen
Van straffen wind en onwervlagen;
   Hy wordt geschut, maar niet verdrukt.

Mijn Vriend! hoe groots, hoe billijk vloeien
De tranen die uw borst besproeien
   Uit Godbehaaglijke oudermin!
Hoe billijk is die zucht van ’t harte,
Die ’t diep gevoel toont van uw smarte,
   En welk een grootheid heeft zy in!

Wat offer waar hier toe te brengen,
Wat wijn op ’t grafgesteent’ te plengen,
   Zoo waardig aan het overschot,
Als tranen, die zoo willig vlieten? —
En, die dat offer mag genieten,
    God, hoe zalig is zijn lot!

Mijn Vriend, met wellust, met vervoering,
Zag ik de eerste zielsontroering,
   Die nog door uwen boezem woelt. —
Oudrenmin, kinderplichten!
Ja, hier voor de eerste smart te zwichten,
   Wie wraakte ’t immer, die gevoelt?

Mijn hart nam deel in uwe plagen.
En ach, hoe zoet is ’t, leed te dragen
   Met hem die zonder wroeging lijdt!
Mijn oog zag op uw bleke wangen
Met vreugd de dankbre druppen hangen,
   Der Moederlijke zorg’ gewijd.

En zou het niet? — Natuurgenoten,
Houdt mijn hart zich ooit gesloten
   Wanneer het u in droefheid ziet?
Zijn uwe rampen, uwe pijnen,
Zijn uw genoegens niet de mijnen?
   Leef ik voor u, voor ’t menschdom, niet?

En gy, Godes der eedle zielen,
Voor wie wy beide nederknielen,
   Gy, Vriendschap, zuster van de Min!
Zoo immer harten samenstemmen,
Het is daar uwe banden klemmen,
   En gy, gy sloor er de onzen in.

Geem Vriendschap zal de droefheid smooren,
De bange klacht ontijdig storen,
   Door wreedlijk opgedrongen troost.
’t Verkropte hart van rouw bevangen,
Mag aan heur’ boezem lucht ontfangen
   In ’t zuchtjen dat het met haar loost.

Maar eindlijk, ’t is genoeg der smarte
Gevierd, genoeg aan d’eisch van ’t harte,
   Genoeg aan die des plichts voldaan.
Mocht vriendschap in uw droefheid deelen,
Zy wenscht die diepe wond te heelen,
   En biedt haar hand blijmoedig aan.

Mijn Vriend, wat zijn de kundigheden,
De door de kunst gekweekte reden,
   Zoo ze onze driften niet bestiert?
Wat baatte u ’t onvermoeibaar zwoegen
En vroeg en rustloos letterploegen,
   Zoo ge aan uw’ rouw ten offer wierdt.

’t Is tijd, na zoo veel kwijnend treuren
Het hangend hoofd wer op te beuren:
   Dit eischt mijn Vriendschap, dit uw plicht.
Dit eischt die eigenste Ouderliefde,
Die u met zoo veel terheid griefde:
   De Vader, wien ge aan ’t harte ligt.

’s Gravenhage

      1782.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 september 1997