Ecce lacertis
Viscera nostra tenens animamque aveltitur infans.
Schoon stem en cyther zweeg, nog daalt ge, ô dierbaar
Wichtjen,
Niet onvereerd in t graf, geheiligd door
uw naam.
Die enkle naam is meer dan t sierlijkst lijkgestichtjen,
Dan t sleepend rouwgebaar van duizend Dichters
saam
Ach! hadt ge in s levens bloei hem waardig mogen dragen,
Hoe heerlijk had mijn stam in beî mijn Zoon
herbloeid!
Reeds vonkte u t roemrijk bloed van uw beroemde Magen
In t schittrend oogjen uit, van zeldzam vuur
doorgloeid.
Dan, anders was de wil van t heilig Alvermogen!
Hy doemde de aard ten prooi aan t
onrecht, aan t geweld.
Wat zoudt ge op eene aard ? Van dafgrond aangespogen
Verwelken onder t leed, dat Oudren deugd
vergeldt ?
Neen, de Almacht wilde u nooit uw leven doen beschreien :
Een lachjen, de onschuld waard van Edens paradijs,
Bestempelde u reeds vroeg voor s Hemels Englenreien:
En strekte op t lief gelaat uw roeping tot
bewijs.
Welaan aan, dierbre telg, my niet van t hart te scheuren,
Dan bloedende aan een wond die nimmer heeling duldt:
Ik derf u! k voel dien slag; maar k zal hem niet
betreuren!
Eén oogenblik op de aard heeft al uw leed vervuld.
Een oogenblik ? De moord, met Godvergeten handen,
Verraste u in uw wieg en ik ik ben
getroost?
Een doodlijk moordvenijn verscheurde uw ingewanden
En ik ik leve en zwijg by mijn mishandeld
kroost?
ô God, Gy zaagt me op t punt
Gy hebt mijn arm
weêrhouen
Gy spraakt : de nevel vlood, ik zag uw
raadsbesluit,
Aanbidlijk, wijs, en goed : en, zalig in t
aanschouwen,
Verloochende ik de wraak, en loofde U in mijn
spruit.
Ja, k offerde. U dit kind, blijmoedig, zonder weenen!
Ach, neem de rest van t bloed dat door mijne
aadren vloeit
Maar wil, weldadig God! my deze beê verleenen:
Geef, dat me in t oovrig kroost een waardig
Nakroost bloeit!
s Gravenhage
1794.
Ingezonden: 24 september 1997