Willem Bilderdyk (1756-1831)

Vergenoegdheid.

Ja, mijn Waarde, ’t dierbaar leven
   Werd ons niet voor ijdle pijn,
Maar voor dat gevoel gegeven
   Waar wy door gelukkig zijn.
De Almacht schiep ons voor zijn’ zegen,
   Niet voor ’t knellen van de smart.
Ieder zucht, naar Hem gestegen,
Koomt zijn gunst weldadig tegen;
   Dit getuigft ons eigen hart.

Zaagt gy ooit gewisser rente,
   Dan zijn trouw ’t heelal betaalt?
Faalt er bloesem aan de Lente,
   Schoon het soms aan regen faalt?
Dort de Zomer zonder koren,
   Of het Najaar zonder ooft?
En, zoo plant en grond bevroren,
Is de hoop daar meÍ verloren,
   Die een nieuwe Lent belooft?

Alles wat wy ooit behoeven,
   Heeft Gods Wijsheid lang voorzien.
Wil die Wijsheid ons beproeven,
   Laat zijn wijze wil geschiÍn!
Ja, Melieve, laat ons lijden,
   Maar gerust zijn in ons lot!
Laat de hoop op beter tijden
Ons vertroosten, ons verblijden,
   Altijd wel te vreÍn met God!

Nemen we, in zijn zorg te vreden,
   Lust en onlust dankbaar aan!
Storten wy geene andre beden
   Dan zijn goedheid toe kan staan!
Laten wy die goedheid smaken
   In ons schamel stukjen brood; —
In dat wederkeerig blaken
Dat Gods Eden moest volmaken; —
   In de panden van uw’ schoot!

      1803.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 24 september 1997