Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Verovering.

Kupido had het Fort omringd,
Van mijn betroffen hart.
Ik hield mijn vesten wel bezet,
Mijn poorten toegespard.

Ik zag de liefde van den wal,
By zijne ontrolde Vaan,
Die man en knecht in ’t wapen riep,
En ’t woest allarm deed slaan.

’k Zag harten, met een’ pijl doorboord,
In die ontrolde Vaan,
In zilver, op een sabel veld,
Bezaaid met traan by traan.

Daar trok zijn gantsche macht by een,
Gedoscht in zwart en wit:
Daar trok zy in den stormmarsch aan,
Door d’oorlogskreet verhit.

Mijn Slotvoogd, wakkre Goede wil,
Stond dapper op den muur,
En spaarde kruid, noch lood, noch lont;
Geschut, noch heggevuur.

Maar ach! des Vijands Battery
Beheerschte de Fortres;
Een stuk, met ééne lonk gelaân,
Schoot, in één’ oogwenk, bres!

Nu vliegt de Vijand door de gracht,
En zet de ladders op,
En klautert over ’t stortend puin,
Den stromhoed op den kop.

De Schoonheid voert de stormers aan,
En perst de Kijgskolom,
Die opstijgt langs de ontsloten baan,
Op ’t daveren der trom.

Begeerte vatte, ’t eerste, post
Op d’onbehoubren wal;
Haar volgden, als een waterstroom,
De Driften zonder tal.

Musket, en roer, en karabijn
En piek en ruiterspeer,
Onzichtbaar in den damp vna ’t vuur,
Brak allen tegenweer.

Wat zoude ik ? — ’k Steek de witte vlag,
En stem in de overgaaf:
De Vesting is in ’s Vijands hand;
Ik, zijn gevangen Slaaf.

Extempore.

Na het Oud Engelsch van Lors Vaux

      1804.


Aantekeningen van de Dichter:

toegespard

Het schijnt vreemd, dat men beide TOE- en OPENGESPARD zegt. Doch het eene sparren is van ’t Naamwoord SPAR, een boom; TOESPARREN is met boomen sluiten. ’t Andere, is het zelfde Werkwoord met sprei-en of spreiden en eigen lijk, SPERREN; en dus beteekent het wijd-, en dus, ook open-maken

man en knecht

Dat is, Leenhouder of Vazal, en Ridder.

sabel

Dat is, een zwart Veld, in de Wapenkunde.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 september 1997