Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan Wichilde, met een’ afdruk van mijne Geuzen.

’t Waar, voortreffelijke Maagd,
Zekerlijk te veel gewaagd,
U gehoor te willen vergen
Voor een dartelende toon,
Die uw zielbekorend schoon
Door een’ schaamteblos zou tergen?

’t Waar misschien ook nog te stout,
Door eene onbescheiden kout
Tot uw zuiver hart te spreken:
’t Moedig voorhoofd, ’t edel oog,
Nam die vrije taal te hoog,
Zou haar licht ten strengste wreken.

Neen, beminnelijke, neen;
’k Zal die kieschheid niet vertreÍn,
Die uw fieren boezem teekent.
Zalig, die haar buigen mag
Zonder kwetsing vna ’t ontzag,
Uit uw lieve lonken sprekend!

Zoo ik u een toontjen wij’
Van mijn zwakke PoŽzy,
’k Weet, het kan u niet mishagen:
’t Zal den roem van ’t VADERLAND,
Waar geheel uw borst voor brandt
’t Zal Oranjes roem gewagen.

Immers uwe schoone borst
Blijft voor NeÍrlands dierbren vorst
Zegenende zuchtjens slaken:
’t Deugdzaam hart verheft zich steeds,
Als het door den last des leeds
Vleklooze Onschuld af ziet maken.

Vleklooze Onschuld! Ű hoe schoon!
Daar zy, doelwit van den hoon,
Met het oog tot God geheven,
Aan zich-zelve-alleen genoeg,
Hoe het lot zich draaie of voeg’,
Haar vervolgers nog doet beven.

Ű Hoe treffend een belang
Geeft dit denkbeeld aan een’ zang,
Die Oranjes roem durft melden!
Ja, uw edelšart gemoed
Keurt die vrije hulde goed,
Deelt in ’t lauwerloof der Helden.

Wel, aanvaard dan dit geschenk!
Laat het een’ genegen’ wenk
Van uw treffend oog ontmoeten! —
Van die zoete hoop gevleid,
Met gevoel van dankbaarheid,
Leg ik ’t offer aan uw voeten.

1785.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 september 1997