Willem Bilderdyk (1756-1831)

Op mijne afbeelding.

door KUILENBURG geschilderd.

Dus trof my ’t Kunstpenceel van KUILENBURG naar ’t leven.
   Naar ’t leven ? — Neen, ˘ neen, mijn leven heeft gedaan.
Dat heeft met Neŕrlands bloei den laaststen snik gegeven,
   En ’t is geen leven meer, dat thands mijn borst doet slaan.
Vergeefs vraagt ge aan dit oog de kracht van vroeger jaren,
   Dat vuur de Jonglingschap dat eens zoo flikkrend glom :
Aan ’t voorhoofd, voor den tijd beschaauwd met grijze hairen,
   ’t Verbeeldingrijk vernuft, beroemd by ’t Dichtrendom.
De mond vergat sints lang de kunst van ’t hart te kneden,
   En de overreding week, die van dees lippen vloot :
De matte boezem zonk; en geest en kundigheden
   Verstierven in den klem van d’algemeenen nood.
Wat zoekt ge, o Kunstvriend, nu, na de uitgeblaakte vonken,
   De fakkel nog in de asch, die van haar overschiet?
Ach! heeft haar scheemrend licht u ooit in ’t oog geblonken,
   Waardeer naar ’t dove stof heur’ ouden luister niet!

’s Gravenhage,

      1794.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 2 oktober 1997