Willem Bilderdyk (1756-1831)

Op mijn afbeeldzel.

In Londen door SCHWEICKHARDT geschilderd, en mijne Eg tot een borstsiersel overgezonden.

Ja, ’t is mijn beeld; ’t is de afdruk van mijn wezen,
    Dierbre Vriend, door uwe hand herteeld!
Ja, in dat oog is heel mijn hart te lezen,
   En welk een geest my door mijne aders speelt.
Ik zie, ’k erken, ik vind my-zelv’ volkomen
   In elken trek, ja tot in ’t minste deel :
Geen spieglend vlak der onberoerde stroomen
   Is meer getrouw dan uw getrouw penceel.
Zie daar mijn’ mond, wen op den boord der lippen
   Mijn hart de deugd, de vriendschap tegenlacht!
Zie daar mijn oog in ’t turend samenknippen,
   Wanneer zijn wenk om wederandwoord pracht!
Zie daar de rust vna ’t onbezoedeld harte
   Dat onberoerd en dwangloos ademhaalt,
Die door een floers van onderworpen smarte
   Met zachten glans van ’t effen voorhoofd straalt!
’k Zie in ’t gezicht dat zacht gelaten kwijnen
   Der tederheid, der weekheid van ’t gemoed,
Dat niet verhardt, niet nerbuigt in zijn pijnen,
   Maar door de hoop het lijden zich verzoet.
’k Zie… Neen, mijn Vriend, hier hebt ge u-zelv’ mistreken;
   Hier leende uw hand me een’ trek die u behoort.
Die straal van geest, die uit dat oog wil breken,
   Kwam uit het uw, niet uit het mijne, voort!
Herneem dien trek, die met de flaauwe resten,
   Die tijd en rouw my naauwlijks overliet
Van ’t geen weleer mijn vurige oogen schetsen,
   Niet samenstemt! hem duldt de waarheid niet.
Neen, drijf veeleer het kouter van de jaren
   Met dieper groef door wang en voorhoofd heen:
Vergrijs de tint van mijn vergrijsde hairen;
   En druk den mond en wenkbraauw naar benen.
Dit voegt mijn’ staat! Dit doet den balling kennen,
   Die by uw’ disch en gastvrij huisgezin
Wel eigen haard en woonste kan ontwennen,
   Maar zuchten moet, ziet hy zijn’ boezem in.
Die lieve G en eigen ingewanden……!
    Lieve vriend, vergeef dien heeten traan!
Gy droogt hem my met trouwe vriendenhanden,
   En ’k naam uw troost by al uw weldan aan.
Maar kan uw gift my tot een gift verstrekken,
   (Zoo dier een gift voor wat my dierbaarst is!)
En, zonder al mijn terheid op te wekken
   Voor die ik hier, en licht — voor eeuwig — mis?
Dierbaar pand, dat over zee en baren
   In ’t Vaderland, aan my — aan my ontzeid,
Het uiterlijk mijns aanschijns gaat bewaren,
   Daar my de dood op vreemden grond verbeidt!
Ga, ga heen, en zoek die droeve streken,
   Die mijne stem niet meer bereiken mag;
Gy moogt voor my, tot die my waard zijn, spreken;
   U trof geen ban, u dreigt geen beulenslag.
Spreek voor my tot die my nog waardeeren :
   Druk hun mijn hart met stomme woorden uit :
En geef hun troost, die thands mijn troost ontbeeren,
   Daar ’t dol geweld de troost der lippen sluit.
Ga moedig, ga, waar meer dan een der braven
   U met een’ traan het welkom aan zal bin,
En (mocht Gods wenk dit streelend denkbeeld staven!)
   In u wellicht een hooprijk voorspook zien!
Roep aan ’t hart van een geliefde gade
   Den man te rug, voor wie heur boezem amt:
Den man, die nooit heur tederheid verraadde,
   En wiens ellend heur grootheid niet beschaamt!
En, als ge, in spijt van haat en Dwingelanden,
   In mijne plaats op ’t zuiverst harte rust,
Heur blanke borst of eeuwigdierbre handen,
   Als sluiksgewijs, met koude lippen kust;
Meld haar dan, dat, hoe de loop der tijden
   Wat braafheid amt op bloed en tranen stond,
Haar Echtgenoot in ’t prangen van zijn lijden
   Nog Hollandsch bloed in Vriendenharten vond.
Nog Hollandsch bloed, dat voor verdrukte braven,
   Voor Vaderland, voor Vorst en Godvrucht vliet;
Den balling eert en overhoopt met gaven,
   Na dat het lot hem nergens uitkomst liet.
Wees, wees haar den ten zielvertroostend teeken
   Van ’t edel hart dat my zijn vriendschap schenkt;
En — zie heur oog van de eigen tranen leken,
   Waar dankbaarheid mijn nokkend hart me drenkt!

Maar breng ik u, roem der terste Vrienden
   Geen’ wierookgeur, geen’ dank — , geen’ lofzang aan?
Ach, zoo ooit kunst, ooit vriendschap die verdienden,
   Aan de uwe wierd door lof te kort gedaan.
Ja, zoo ’t gevoel zich bruischende uit kon storten
   In stroomend vuur in plaats van koude taal,
Mijn zangtoon zou heur waarde nog verkorten,
   En ware een vonk by ’s middags zonnestraal.
’t Is niet genoeg, de tranen af te wasschen,
   Die in het oog dan boezemnood verran;
In ’t zwijgend hart zijn wenschen te verrassen;
   Ja, door de dienst den wensch voor uit te gaan!
Door edelmoed en kieschen smaak vertederd,
   Is, van uw hand, de weldaad, vrij van pijn,
En ’t gemoed, door geene ramp vernederd,
   Vindt zaligheid, aan u verplicht te zijn.
Neen, dierbre Vriend! dan kan de Dichtkunst stijgen,
   Als Kunst, als Deugd, heur peil niet overschrijdt :
Wat thands haar blijft, is een gevoelig zwijgen,
   Dat de onmacht van heur hoogste kracht belijdt.
Gy, neem dit aan! Gewoon in ’t hart te lezen,
   Verstaat gy ’t mijn, dat voor u open staat!
Ach! lees daar in, gy zult vergolden wezen;
   Maar, zoo de Hemel zich van ons vergelden laat.

      Londen,

Bloeimaand 1796.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 2 oktober 1997