Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Arbeid.

Gewis, ook de arbeid is een zegen,
Geen vloek, door ’s Hoogsten wraak den stervling opgeleid.
Die ’t leven sleept in ledigheid
Streeft God en zijn heilbestemming tegen.
Het lichaam eischt een’ graad vermoeinis, zal ’t bestaan:
Gezondheid kleeft alleen het werkzaam leven aan,
En oefning houdt en geest en boezem kalm en vredig,
Het hart, gerust en onbedeesd;
Daar weelde en wellust, traag en ledig,
Op ’t weeke dons, en lijf en geest
Verwoesten; hier door duizend pijnen,
Daar, door verveling, zelfverdriet,
Als op den folterbank verkwijnen,
En kermen dat de tijd niet snel genoeg ontschiet.
Van daar, dat heir van bleeke kwalen,
Dat, opgedonderd uit den afgrond, immer groeit,
En eindloos om de koets blijft dwalen,
Waar op de zijde en ’t purper gloeit!
Van daar die aangeschoten vleugelen,
Die, wy, die onze schuld, heur eigen beul en straf,
Het al te trage sterflot gaf;
Waar door het, in zijn vaart en woede niet teugelen,
Onaangemeld en onverwacht
De deuren binnenstuift en wat er voorkoomt slacht!
Neen, ’t menschdom kende kwaal noch krankte,
Wanneer ’t, in rokend zweet van ’t blozend aangezicht,
De Godheid voor zijn nooddruft dankte,
En d’arbeid hield voor d’eersten plicht.
Toen was ’t ontwaken frisch, de slaap door de ijdle schimmen
Der raauwe dampen neit ontrust;
Die in de ontroerde hersens klimmen,
Wen ’t ingewand verslapte in werkelooze lust.
Gezondheid strooide steeds heur rozen op de kaken,
En blies genoegens in, en gaf ze smaak en duur.
Het vrolijk tintlend Levensvuur
Versmoorde niet in enge daken,
Maar werd door vrije en zuivre lucht
Gevoed, en van heur’ am (verkwijnde ’t) aangeblazen.
De Grijsheid wist van ziekt’ noch zucht,
En hoorde met vermaak het dartle kinderrazen.
Zy was een lieffelijke avondstond
Die d’ondbewolkten dag met zachten glans bepaalde,
Geen kwelling voor zich-zelv’. Zy dacht en was gezond,
En blonk van ’t heldre licht, dat uit haar’ boezem straalde.
De kindschheid (Hemel, kan het zijn,
En was onze eeuw gedoemd die gruwel voort te brengen;
Of kan uw goedheid die gehengen
Zoo lang gy bliksems voert!) brach geen bedekt venijn
Uit Moedelijken schoot, uit Vaderlijke lenden
Ter wareld, dat het zoet van ’t kostbre levenslicht
Verwoestede, om (beklaaglijk wicht!)
Een hatelijk bestaan in jamm’ren te volnden.
De borst met reine Moedermelk
Was geen vergifte tooverkelk
Die d’aart van ’t teder kind verbasterde en verlaagde,
En de ondeugd overgoot in ’t bloed,
Of ’t lichaam met de ziel verknaagde
Die voor zijn voedsters euvlen boet.
Gestadige oefning van zijn spieren,
Die ’t vezelweefsel rekt en spant,
En ’t bloed geregeld om doet zwieren,
Geeft aan den Bouwman kracht, op ’t immerzalig land.
Aan de altijd wisselende vlagen
Van wer en winden blootgesteld,
Kan hy de felle zon op ’t gloeiend hoofd verdragen,
En voelt niet dat de winter knelt.
Zijn lichaam sluit zich toe voor schadelijke dampen
En drinkt hun gift niet in door de al te weeke huid,
Is machtig, met de lucht, die in hem dringt, te kampen,
En drijft in ’t heilzaam zweet bedorven sappen uit.
Zijn zenuw wederstaat aan ’t prikkelen,
Doorvoed met wel gekleinsd, wel afgescheiden vocht,
Dat zich uit zuiver bloe ontwikkelen,
En tot zijn rijpheid komen mocht.
Geen geest van aangezette wijnen
Vervluchtigt ’s levens sap in hart of hersenklier,
En doet door steeds verhittend vier
De spierkracht met den geest verdwijnen.
Geen sluipend en verholen koorts
Voert haar afgrijsselijke toorts
Door ’t zuchtend ingewand, in machtloosheid bezweken,
Verstoort den zetel vna ’t verstand,
Sloopt zin en zintuig door een’ brand
Die eindloos smeult en kruipt, en weigert door te breken.
Het hair vergrijst niet door een’ ouderdom, vervroegd
Door geestuitputting, zielsverkwijning,
Die voren door het voorhoofd ploegt.
Maar hy, hy kent zijn’ tijd, en ’t uur van zijn verschijning
Vermengt den avond niet aan ’t vroege morgenrood,
Dat de eerste straaltjens pas van ’s levens zon genoot.
Welgelukkig veld! Bron van waar genoegen,
Gezaligde arbeid! vreugdig zwoegen!
Gy zijt des levens steun, de staf der manlijkheid,
De woonplaats van ’t genot den stervling toegeleid!

Wat noemt men dan de bron van enkle zegeningen
Een’ vloek? wat schuwt ge haar, verdwaasd,
Verbasterd kroost der stervelingen,
Dat steeds op valsch genoegen aast? —
Een vloek! — Hoe! was in ’t zalig Eden
Den mensch geen arbeid opgelegd?
Aan d’overvloed der zaligheden
Geen lichaamsoefening gehecht?
Gewis! Hy had den Hof te bouwen!
Hem toegeigend door zijn’ God,
Doch geenzins tot een bloot aanschouwen,
Maar tot een daadlijk zelfgenot.
’t Waar weinig, door die schoone dreven
Te wandlen zonder einde of doel,
Om als een schaduw rond te zweven
Met niet dan lijdelijk gevoel:
’t Waar weinig, ’t sappig ooft te smaken,
Dat hem de vruchtbre boomgaard bood;
Indien hy ’t zout der zinvermaken,
De lust des arbeids, niet genoot.
Neen. ’t was in ’t moeizaam vruchtenteelen,
In ’t streelend zelfgevoel van werkzaamheid en kracht,
Dat Adam met zijn’ God mocht deelen,
By ’t geen hem de aard had opgebracht.
Hy bracht by elke beet der tanden,
Die hy in ’t geurig ooft mocht slaan,
Der Godheid dubbele offeranden
Van dankbre zielsvereering aan.
Hy dankte alleen aan ’s Scheppers goedheid
’t Bestaan, den wasdom niet, des appels op zijn struik;
Maar tevens de eedler, hooger zoetheid
Van eigen vlijt en krachtgebruik.
En zoo de zwangre schoot der aarde,
Hem onderwerpen door uw woord,
God, hem blijde vruchten baarde,
Zy bracht ze als vrucht der vlijt van haar’ beheerscher voort.
Waarom is die tijd verdwenen,
En waarom moest zijn kroost in hun vervallen staat
De dubble geesselro beweenen,
Van vloekbre ledigheid, en arbeid zonder baat!
Ach! ’t aardrijk, overdekt met doornen,
En dat de hand, die ’t bouwt, werstaat,
De hoop, verijdeld in het zaad
Was dan geen blijks genoeg, God, van uw vertoornen,
Had de alverwoestende, de doodelijke pest
Der ledigheid zich niet in ’s stervlings hart gevest!
Zy, wreeder dan de dood sluipt met onhoorbre schreden
Verraderlijk vermomd, met bloemen in de hand,
Den stervling op het lijf, bekruipt zijn ledikant,
Ontwricht de forsgespierde leden,
Verlamt het ingewand, vergiftigt bloed en sap
In de aadren, en berooft van aart en eigenschap
Het voedsel, onderhoud des levens,
De vloeistof die men amt, en de artsenykracht tevens;
Verdelgt het oordeel, sloopt den Geest;
Boeit zeden en gevoel voor eerzucht en betamen
Den matten boezem uit, met deugd en Godsdienst samen;
Verkeert Gods beeltnis in een beest!

Verheft u, dwazen, werkeloozen!
Verheft u uit het stof! leert blozen!
En voelt uw waardigheid! keert tot u-zelven wer!
God schiep u, schepsel, tot zijne eer!
Wees nuttig; volg Hem na, sprei werkzaamheid en krachten
Rondom u! Leef, terwijl ge zijt.
Leer ’t lokaas van den schijn verachten,
En ga het waar geluk voor geen verbeelding kwijt.
Hoe zoudt ge, een stage prooi van ’t zelfverwekte lijden
U hartlijk in uw’ God, des Levens God, verblijden,
Wiens gaaf gy nimmer smaakt, maar met de voeten stoot?
Gy, voor geluk bestemd, en Englen deelgenoot!
Beef! beef, verkwister van uw dagen!
God eischt eens rekenschap van ’t geen hy heeft verleend
Wat wacht ge? uw doodklok heeft geslagen,
Eer dat ge uw dwaasheid nog beweent.

1804.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 30 september 1997