Willem Bilderdyk (1756-1831)

Ten feesdisch van Mevrouwe *** Moeder van verscheiden kinderen.

Zijn liefde en dankbaarheid het leven van mijn leven,
De Hoofdstof, waar mijn ziel in ademt, in bestaat,
En zoude ik dan geen blijken geven
Van welk een teedre drift het slaat?

Zou ’t heerelijk tafereel van huiselijken zegen,
Een moeder, van heur kroost, heur talrijk kroost, omringd,
’t Aandoenlijk hart my niet bewegen,
Daar ’t alles tot de vreugde dringt?

˘ Neen, laat lamp, laat onheil woeden!
Ons eigen heil is ’t niet, dat ons aandoenlijkst streelt:
Het opgereten hart moog bloeden,
’t Is zalig, zoo het slechts in ’t heil van andren deelt.

Wee d’onberaden’, wee den snoden,
Die in zich-zelv’ bepaald, die niet in andren leeft!
Laat kunde, of rang, of eer, laat alles hem vergoeden,
De vloek rustte op de wieg, die hem ontfangen heeft!

Neen, mag ik op ’t volvrolijk heden,
In ’t midden van uw kroost, uw dierbaar huisgezin,
Uw’ feestdisch, eedle Vrouw, bekleeden,
Ik juich hun blijdschap toe, mijn boezem deelt er in.

Ja, heuchlijk ook voor my is ’t dierbaar licht verrezen,
Dat u aan de aarde schonk voor vrienden, kroost, en bloed;
En eindloos moet het zalig wezen
Voor die het aan uw zij’ begroet!

Voor my, die teŕr aan u door ’t dankbaar hart verbonden,
Die op uw godheŕn, op uw dierbre vriendschap boog,
In d’arm van uw Gezin een deel heb weŕrgevonden,
Van ’t geen my ’t wreevle lot onttoog!

Laat andren vrij den Jaardag vieren
Van Helden, door wier vuist de ontvolkte wareld zucht!
We eerbiedigen hun krijgslauwrieren,
Maar eeren ’t moederhart voor zege en krijgsgerucht.

Laat Koningen met scepters pralen,
Wy buigen, als ’t betaamt, voor hunn’ gerechten staf:
Maar kan er iets op de aarde halen
By ’t hellicht, ’t geen aan de aard een vruchtbre moeder gaf?

o! Zouden wy dien staat niet eeren,
Dien God verheerlijkt heeft voor al wat heerlijk is!
Den naam van Moeder niet waardeeren,
Geheiligd boven al door Gods beloftnis?

Geheiligd, ja, door Jezus lippen,
Toen, wen zijn zuivre mond hem lispelde als een kind;
Toen, wen zijn’ veege borst heur adem stond te ontglippen,
Bezorgd voor ’t geen hy ’t teŕrst op de aarde had bemind.

Neen, dierbre Telgen, kroost van een zoo teedre moeder!
Mijn boezem eert met u dien tijtel, zoo gewijd!
Hy heft met u op, zich op tot d’Albehoeder,
En dankt Hem voor de gunst, dat gy heure afkomst zijt.

Ja, komt, vereenigt hart en handen,
(Ik volg u) dankt den God, die u die moeder gaf.
Gezegend zijn die teedre badnen,
En spade rukk’ de tijd die af!

Ja, zy, die ’t duurgeschatte leven
Moest schenken aan een Nageslacht,
Heeft een bestemming meer verheven
Dan glinstrend kroonegoud of oorlogsheldenkracht. —

Haar feestdag is het feest van duizenden van Neven,
Wier zielen voor Gods throon in duistre nevels zweven,
Om eens zijn goedheid eer te geven:
Het feest van ’t menschdom, van ’t heelal ! —
Haar feestdag is een dag van eeuwigdurend leven,
Die de eeuwigheid bevolken zal.

De Algodheid hoort eens moeders smeeken
Voor ’t vruchtjen van haar’ schoot, haar wellust, en haar troost;
Maar leerde ’t bloed weŕrkeerig spreken,
En zegent wederzijds de moeder door het kroost.

˘ Geef dien zegen, God van zegen!
Vervul dees blijden dag met uw genoegzaamheid!
Zy trede uit ’s Hemels throon den heeten wenschen tegen,
Op Moeder en op kroost gelijklijk uitgebreid!

Zie zoo veel harten dankbaar zwoegen
Van ’t tederste gevoel, van dankbaarheid, van ’t bloed!
En mag de vriendschap zich by de ouderliefde voegen,
Zie ’t mijne dat gy kent! ˘ Zegen en behoed!

1799.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 2 oktober 1997