Willem Bilderdyk (1756-1831)

Floris de vijfde.

’t Grootmoedig Vorstenbloed, dat door uwe aders speelde;
De vurigheid de Jeugd die uit uwe oogen blonk;
De luister van uw Hof, wiens zorgelooze weelde
U haren zwijmelwijn uit gouden bekers schonk;
Uw voorstaan van ht recht tot siddring van de bozen;
En weldoen, ruim verspreid, maar door geen keus bestierd
Dat, waar verdienste ontbreekt, of haten doet of blozen;
Met heldendapperheid, die, ongelijsstaffierd,
Geweld trotseeren durft, gevaar verachtelozen;
Zie daar, ˘ Koningstelg, wat uw verdelger wierd!
Maar wat, wat heeft u toch, tot heil uws Volks geboren,
By elk zoo teŕrgeliefd en troosteloos beschreid,
By dit, dit zelfde volk, der schrijvren haat beschoren ? —
Hun traagheid, voorgegaan door diepe onwetendheid. —
Of, mogen we ongestraft de Waarheid hier vereeren,
De brond schuilt meer in ’t hart dan ’t dwalen van den geest :
Men roemt aan ’t volk niet graag zijn vorige Opperheeren,
Daar ’t niet dan tot zijn spijt, zijn Medeburgren vreest;
En hem, die ’t Vrijheid preekt, terwijl hy ’t wil regeeren,
Zijn alle Vorsten kwaad, maar d’allerbraafsten ’t meest.

1788.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 1 oktober 1997