t Grootmoedig Vorstenbloed, dat door uwe
aders speelde;
De vurigheid de Jeugd die uit uwe oogen blonk;
De luister van uw Hof, wiens zorgelooze weelde
U haren zwijmelwijn uit gouden bekers schonk;
Uw voorstaan van ht recht tot siddring van de bozen;
En weldoen, ruim verspreid, maar door geen keus bestierd
Dat, waar verdienste ontbreekt, of haten doet of blozen;
Met heldendapperheid, die, ongelijsstaffierd,
Geweld trotseeren durft, gevaar verachtelozen;
Zie daar, ô Koningstelg, wat uw verdelger wierd!
Maar wat, wat heeft u toch, tot heil uws Volks geboren,
By elk zoo teêrgeliefd en troosteloos beschreid,
By dit, dit zelfde volk, der schrijvren haat beschoren ?
Hun traagheid, voorgegaan door diepe onwetendheid.
Of, mogen we ongestraft de Waarheid hier vereeren,
De brond schuilt meer in t hart dan t dwalen van den
geest :
Men roemt aan t volk niet graag zijn vorige Opperheeren,
Daar t niet dan tot zijn spijt, zijn Medeburgren vreest;
En hem, die t Vrijheid preekt, terwijl hy t wil
regeeren,
Zijn alle Vorsten kwaad, maar dallerbraafsten t
meest.
1788.
Ingezonden: 1 oktober 1997