Willem Bilderdyk (1756-1831)

’t Geluk op aard.

Geluk is slechts een ijdel niet,
   Waarna men vruchtloos tracht.
Men ziet, of waant wel dat men ’t ziet,
   Maar dwaasheid, zoo men ’t wacht!

Het toont zich met een flikkerlicht,
   Dat ijlings wer verdwijnt;
En wemelt voor ’t verrukt gezicht,
   Terwijl zich ’t hart verpijnt.

Het schijnbeeld, dat zijn wezen maakt,
   Heeft lichaam noch bestand :
Grijp toe, zoo haast het u genaakt,
   Gy vat een lege hand.

Ja, schaduw die voorby ons schiet,
   Bedriegt het, keer op keer :
De Hoop bezit het heil NOG NIET;
   ’t Genieten, reeds NIET MEER.

      1804.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 1 oktober 1997