In t afzijn eens Gemaals met eng benepen harte,
Den boezem om het lot des Vaderlands beklemd,
Deelde ik, begaafde vrouw, in uw gerechte smarte
En tokkele ik geen snaar, voor t feestgejuich
gestemd.
Neen, rijze t heuchlijk licht van uw geboortetijde
Thands sierloos, niet vereert met bloemen of gezang!
Dat slechts de oprechte borst u zuivre wenschen wijde,
En de Almacht die verhoore, is al wat ik verlang.
ô Leef! gevoel u steeds als op t gezegend heden,
De zaligste in t Heelal door Echt en minlijk
kroost,
Van al wat u gemaakt vereerd en aangebeden,
En de onvolkomene Aard verwandeld in een Eden
Door t innig Hemelzoet van ware
Christentroost!
Ingezonden: 1 oktober 1997