Willem Bilderdyk (1756-1831)

De dood van Kuthullijn.

GEZANG VAN OSSIAAN.

   Hoe! zou de wind op Fingals beuklaar spelen
Met zulk een liefelijk geschal?
Of koomt een zangstem in mijn’ Hal
Mijne ooren met den klank der oude Liedren streelen?
Zing voort, zoete stem, zing voort!
Gy kort me een eeuwge Nacht met aangenaam herdenken.
Bragla! wordt uw hart door deernis aangespoord,
Weiger niet, mijn hart die zoete vreugd te schenken,
Waar me het uw gezangen hoort!

   Het is het blanke schuim van ’t hevig-golvend meir;
Geen zeil van Kuthullijn! De nevels die me omzweven,
Bedriegen me in ’t gezicht, en ’t toont my keer aan keer
De Krijsbark van mijn’ Held, die zeegrijk aan koomt streven.
Maar ’t is een loutre schim, die, van den wind gesold,
Mijn’ geest, begoocheld door ’t verlangen,
Vermeestert, en den blos te rug jaagt van mijn wangen,
Terwijl my traan langs hals en boezem rolt.
Wat mart ge, Zemoos zoon! kom,
Breng, breng me u zelven wer, en ’k heb my-zelv werom!
Tot vierwerf heeft de Herfst met haar ontembre winden
Togormaas stille zee beroerd.
Bragla, verr’ van u, weet troost noch heul te vinden,
Terwijl ge aan verre kust ’t verwoestend krijgszwaard voert.
Heuvlen! en gy, strand thands overdekt met wrakken!
Wen kondigt my uw galm zijn stem, zijn’ jachtstoe, aan?
Wen andwoordt ge op ’t geblaf van zijn getrouwe brakken?
Wen zal zijn voetstap wer op uwe velden staan?

   Maar ach! ik roep vergeefs. Mijn dierbre keert niet weder !
’k Zie d’avond, die haar floers het aardrijk over trekt.
Het veldhoen heeft zijn hoofd met d’eene vlerk bedekt :
De hinde zijgt ter rust: de reebok vlijt zich neder
En smaakt den zoeten slaap, tot hem de morgen wekt:
Maar ik, ik wake om niet, in tranen, niet te droogen,
En vrage u uur aan uur van ’t doove lot werom.
Geliefde, keer keer, en wisch ze van mijne oogen!
Kom. Erins krijgshoofd, in mijne armen! kom, ai kom!

   Behaaglijk is uw stem in ’t oor van Ossiaan,
Zorlans eedle Telg! gy hebt zijn’ wensch voldaan.
Ga, geef u tot het Feest, geniet de dischvermaken,
En zie d’ontvlamden eik in ’t juichend voorhof blaken.
’t Gemurmel van de zee, die Dunskais wallen kust,
Verwekke uw drijvend oog een liefelijke rust.
Uw Held moge in dien slaap verschijnen voor uw sponde,
En zalven in den droom uwe ongeneesbre wonde!

   By Lagoos golvend meir zal dappre Kuthullijn.
De Nacht omringt den Held. De frissche gerstenwijn
Wordt wijd en zijd geplengd, en honderd brandende eiken,
Die met hun heldre vlam tot aan de wolken reiken,
Verlichten ’t juichend heir door ’t uitgestrekte veld.
Karril aanvaardt de harp, ten vreugdetoon gesteld.
Men ziet zijn blanke kruin van ’t licht des feestvuurs gloeien,
En ’s Grijzaarts graauwend hair langs hals en schouders vloeien.
De Lof van Kolgars zoon is ’t voorwerp van zijn lied,
De vriend van Kuthullijn, die Gormoos strand gebiedt!
Wat wordt ge, Konnal, thands geslingerd op de stroomen!
Heel ’t Zuiden voegt zich saam, om Kormak op te komen.
De stormwind geeselt u op ’t ongestuime meir,
En duldt uw aankomst niet by ’t u verbeidend heir.
Maar Kormak is in staat den vijand af te wachten,
Want Zemoos dappre zoon verleent hem moed en krachten.
Hy, aller krijgren schrik, en onwerstaanbre Held,
Hy strijdt voor Kormaks zaak en trotst hun Krijgsgeweld.

   Dus zong de grijze Held wen een van ’s vijands zonen
Zich in den Bardendosch aan ’t vierend heir kwam toonen.
Hy wierp een speer ter aard’ met afgebroken staal.
Hy kwam uit Torlaths naam, en voerde Torlaths taal.
Hy, Torlath, strijdbaar Hoofd van Legoos zwarte baren!
Jongling, ’k zie de dood onzichtbaar om u waren.
Hoe kort nog zwaait uw arm de forsche Legerspeer!

   De wakkre Kuthullijn biedt hem de plaats van eer,
En reikt hem ’t schuimend voch in d’opgeheven beker.
Wat laat ge, Legoos Bard, mijn wachtend hart onzeker!
(Dus zegt hy) deel me uw’ last, den last van Torlaths me.
Verschijnt hy tot den strijd, of brengt hy ons de vre ?

    Hy nadert tot den strijd. — By ’t eerste morgengloren
Koomt Torlath met zijn heir uw Feestgejuich verstoren
Gy, koning, durft gy hem bejeegnen in ’t geweer?
Ontzachlijk overal is Torlaths Heldenspeer.
Hy drilt ze, en wat werstaat stort neder voor zijn voeten.
Den Helden beeft het hart, hem in den slag te ontmoeten.
Zijn arm ontbloot het zwaard, en alles neemt de vlucht.
Ziedaar wie Torlath is! zoo schrikbaar! zoo geducht!

    Wat koomt ge Kuthullijn van Torlaths Krijgsspeer melden;
Zijn hart, zijn arm, zijn braaf als duizend andre Helden
(Dus andwoordt de eedle vorst) ; maar ’k weet wat strijden hiet,
En ’t blinkend oorlogszwaard rust aan mijn zijde niet.
De morgen zal my vroeg den Krijgsheld zien bevechten;
Dan zal de kracht des arms van de overmacht beslechten. —
Maar deel in onzen disch, in onze tafelvreugd,
Bard, en schenk me een’ zang die ’t luistrend hart verheugt.
Aanvaard den drinkhoorn, kom, en hoor ook onze zangen.

    Hoe (sprak hy)! is ’t nu tijd, een’ Feestzang aan te vangen,
Terwijl de Helden zich, ten Lijfgevecht gereed,
Bereiden tot een’ strijd, die van geen sparen weet?
Simora! hoe zoo zwart, zoo donker voor mijne oogen?
Helaas, geen enkle star die nerziet uit den hoogen!
Geen straal die u beschijnt van de overwolkte maan!
Maar ’t voorspook van de dood zweeft om u af en aan,
In schimmen, van den wind door ’t weemlend zwerk bewogen.
Simora! hoe zoo zwart, zoo donker voor mijne oogen?

   De Jongling zwijgt en wijkt. — Karril verheft zijn’ toon.
Zijn liefelijke zang, voor ’t hart aandoenlijk schoon,
Was al de erinnering van vreugden, eens verloren.
’t Verstorven Bardendom kwam naar zijn klanken hooren.
Simora was vervuld met streelend zanggeluid,
Dat door zijn wouden galmt en op de rotsen stuit.
Het stoorelooze dal, de zwijgende valleien
Verneemen ’t flaauw muzyk van deze onzichtbre reien,
(Maar dompig, en gelijk aan ’t momlen van de Bij,
Die door den bloemhof vliegt) en juichen even blij’.

   De Zangtoon zweeg een’ wijl. — Een honderdtal van Barden
Staat vaardig, waar hun zang, waar zy geroepen werden.
Heft thands (zegt Kuthullijn van zangdrift aangedaan)
Den liefelijken zang van koning Fingal aan!
Dien zang, die als de slaap zijne ooglen komt bezwaren,
Zijn hart en ooren streelt, gestemd op Rijnoos snaren:
Of geeft ons Laraas Lied, den moederlijken rouw
Der van heur’ dierbren Zoon beroofde Koningsvrouw,
Wen heuvelgalm en dal vergeefs zijn’ naam herhaalde,
En zy den krijgsboog zag, die, in zijn hand, nooit faalde. —
Karril leg Kaitbats schild op dezen boomstronk ner,
En stel hier naast mijn’ arm de Vaderlijke speer;
Op dat, als ’t morgengraauw de kimmen door koomt breken,
Mijn vuist gewapend zij, om ’s vijands hoon te wreken.
   De Held leende op zijn schild, en Laraas zang ving aan.
De Harptoon drong door ’t hart : het juichen had gedaan.

    Alkletha, achtbre vrouw! wat wendt ge onrustige oogen
Naar heide en wildernis, dat ge uwen Zoon herziet!
Wat ziet ge? Een’ jaagrenstoet, te heuvel opgevlogen;
Maar ach! het geen ge aanschouwt, zijn Kalmars Helden niet!
Wat hoort ge naar zijn stem? ’t Is ’t ruischen van de bladeren
Van ’t bijgelegen woud, het bruizen van den wind.
Alkletha! ’t zij in ’t hart dat uwen Zoon voelt naderen,
Maar ’t is een ijdle hoop, waarme het zich verblindt!

    Wie staat daar over ’t vlak van Laraas stroom gebogen,
Gy zuster van den Held? Ik zie zijne Oorlogsspeer.
Maar ach! een duistre damp ontrukt hem aan mijne oogen!
Mijn Dochter, is ’t mijn zoon? rek mijn hoop niet meer!

    ’t Is slechts een dorrende eik, herneemt de teedre Elone;
Alleen een dorrende eik, gebogen door den wind.
Wacht slechts tot ik u ’t gewenschte voorwerp toone!
Of is ’t eene ijdle hoop, waar me zich ’t hart verblindt?
Wie spoedt met zulk een drift den stellen heuvel neder?
Hy draagt de legerspeer van Kalmar, rood bevlekt! —
’t Is vijands bloed, mijn Telg : zijn speer keert nimmer weder,
Dan met het rokend bloed van duizenden bedekt.

    Waar is Aklethaas zoon ? gy, Jongling, zoo verslagen!
Keert hy met eer bekroond ? — Gy zwijgt? Hy is niet meer!
Verzwijg my, hoe hy viel: mijn hart kan niet meer dragen;
Die doodmaar is genoeg, het zinkt er onder ner.

    Wat mocht uw driftig oog langs heide en heuvel streven,
Moeder van den Held, beproefde Koningsvrouw!
Licht ware een zoete hoop uw’ boezem bijgebleven,
En ’t hart niet verstikt in doodelijken rouw!

   Karril, dus luidde uw zang. — Op ’t bochtig schild gelegen,
Lag de eedle Kuthullijn met d’arm in ’t gras gezegen.
De Barden rustten op hun harpen, en de slaap
Sloop zachtkens in de borst van elken Legerknaap.
’t Was Zemoos zoon-alleen, die waakte. Zijn gedachten
Gevestigd op den krijg, lag hy den dag te wachten.
De brandende eik verviel en gin, al smeulende, uit.
Een kwijnend licht breekt voort! een aaklig stemgeluid
Verneemt zich! Kalmars geest met ongekemde hairen
En zwevende op de mist, koomt voor zijne oogen waren.
De wond zijn boezems gaapt; zijn oog staat fier en straf;
Hy treedt tot Kuthullijn, en wijst hem op zijn graf.

    Wat wilt gy, zoon der Nacht? zegt Erins wakkre koning.
Spaar andren, week van ziel, uwe ijdle schrikvertooning!
Wat eischt ge? of is uw wil dat ik, my-zelv’ ontrouw,
In nood den vriend begeef, dien ik beschermen zou?
Uw arm, Mathaas zoon, was immer stout in ’t wapen;
Uw boezem amde krijg, en scheen ten krijg’ geschapen:
En drijft gy me in dit uur tot schandelijk verran,
Tot eedbreuk, eerloosheid, lafhartig vreezen, aan?
Nooit vluchtte ik, noc had vrees voor ijdle geestverschijning.
Hun kennis is gering, hun macht is enkle kwijning.
Maar ik, mijn borst verwijdt by ’t klettren van ’t geweer,
’t Gevaar ontfonkt my ’t hart. Keer tot uw grafkuil wer!
Nooit zijt gy Kalmars geest: Hy wist van geen bezwijken,
En nimmer heeft men hem een’ vijand zien ontwijken.
Keer tot uw grafkuil wer ! — De geest verdween op ’t woord,
En amde een zachte vreugd : hy had zijn Lof gehoord ! —

   Het eerste morgengraauw begon in ’t Oost te blinken.
Men hoorde Kaitbats schild door heel het Leger klinken,
En alles stroomt door een, gelijk een watervloed;
Wen Legoos krijgstrompet de lucht wergalmen doet.
De strijdbre Trothal kwam. — Waar toe de duizend strijderen,
(Dus zeg hy) Kuthullijn? Laat ons het heir verwijderen!
Ik ken uw’ dappren arm, ik ken uw’ Heldenmoed:
Uw boezem brandde steeds vanonuitbluschbren gloed.
Kom, houden we onzen Macht te rug, van wederzijden,
En laten we in dit dal voor aller oogen strijden!
Laat hem hun vorsten zien, verhit door woede en eer
Zich stortende opelkar als golven van het meir,
Zich met gezwinden zwaai in duizend bochten wringend;
En ’t vuur, uit beider oog, uit helm, en zwaarden springend:
En wachten siddringvol den dood in elken slag,
Als waar ’t hun eigen bloed, dat ons ontvlieten mag !

   Dus sprak hy, met de drift van zichtbre geestvervoering.
De koning hoort hem aan met blijdschap en ontroering:
Gy hebt mijn ziel verheugd, zegt Zemoos groote zoon.
’k Aanvaard dat grootsch tooneel, zoo edel aangebon.
Uw arm sterk, vorst, en mijnen niet onwaardig!
De grootheid van uw ziel betoont zich edelaardig!
    Gy, Erins benden, wijkt tot gindsche waterbron.
Beschouwt me, en ziet den dag waarop mijn roem begon!
    Karrill! indien my ’t lot gedoemd heeft om te sneven,
Zeg Konnal, dat mijn hart hem altijd aan bleef kleven.
Hy grijp’ ’t zeeghaftig staal tot Kormaks redding aan,
En moog hy d’ overmoed in vaste kluisters slaan !

   Nu stoof hy wer naar ’t dal. De klank der harnasplaten
Wergalmde aan wederzij’ op ’t wapen der soldaten.
Hem streefde, daar hy trad, de schrik des doods vooruit
Aan Lodaas geest gelijk, wen ’t buldrend geluid
Van duizend stormen saam, die door elkander horten,
Om met vereend geweld hun dolheid uit te storten,
Het aardrijk daavren doet, en op de golven stuit,
Daar zijne ontzachbre vuist zijn nevelwolk ontsluit,
En slachting, dood en pest. gebrek, en oorlogswoede
Door ’t zuchtend volk verspreidt, het woorwerp van zijn roede!
Hy zetelt op zijn wolk, verheven boven ’t meir.
Zijn hand omvat zijn zwaard, of bliksemt met zijn speer.
De stormen staan in ’t rond en wachten zijn bevelen,
Terwijl zy met hunn’ am zijn vlammend hoofdhair streelen.
De halfonthulde maan met heur bekrompen licht,
Verspreidt een’ doodsche glans op ’t schrikbaar aangezicht.
Zoo vreeslijk, zoo geducht, zoo schrikbaar in ’t allen tijden,
Was dappre Kuthullijn in ’t oogenblik van strijden.
Nu, vreeslijker dan ooit. Men treedt in Lijgevecht,
En strijdbre Trothal valt. De zege werd beslecht!

   De smart vervult het hart van Legoos Oorlogslieden.
De wanhoop neemt hen in. Wat doen zy? trootsloos vlieden?
Neen, grimmende en verwoed omringen zy den vorst.
’t Heft alles ’t zwaard omhoog, en dreigt zijn fiere borst,
En duizend pijlen gaan op ’t onverschrokken harte
Van alle kanten, af, ter wrake van hun smarte.
De vorst blijft als een rots, in ’t hart van d’oceaan
Van ’t golfgeklots bestookt, in al hun woeden staan.
’t Valt alles om hem heen, het bloed bespoelt de velden.
Simora geeft een’ schreeuw. Nu naadren Erins helden.
Hun gantsche Leger stort op Legoos eerloos heir,
En dappre Kuthullijn behoudt het veld van eer.
Hy keert in vollen roem. — Maar ach! verbleekt van kaken!
Zijn vreugd schijnt op ’t gelaat zich-zelve te verzaken.
Stilzwijgend slaat hy ’t oog, ontluisterd, naar het strand :
Het nog ontbloote zwaard hangt, bevende in zijn hand :
Zijn knin weigren zich; terwijl men onder ’t treden
De krijgsspeer buigen ziet, by ieder van zijn schreden.

   Zijn kracht bezwijkt in ’t eind. Hy roept Karril ter zij’:
Mijn Krijgsroem heeft zijn perk : mijn dagen zijn voorby
(Dus zegt hy.) Voor mijn oog zal nooit wer morgen rijzen:
Maar ’t Nakroost zal mijn’ naam een billijke eer bewijzen
Der Barden Heldenzang zal wagen van mijn’ moed,
En prikklen door mijn lof het jeugdig Heldenbloed.
Dat ik eens den dood van Kuthullijn mocht sterven!
Die lofspraak zal mijn deugd by ’t Nageslacht verwerven.
De roem omkleedt hem als een schittrend pleeggewaad,
De glorie kroont zijn hoofd, en straalt hem van ’t gelaat!
    Trekt nu den scherpen pijl van uit mijne ingewanden.
En hoor de jongste dienst die ’k vorder van uw handen.
Leg me aan den voet eens Eiks aan ’t heuvels Westerzij’,
En ’t vaderlijke schild van Kaitbath nevens my,
Met speer en oorlogszwaard: dat, die my mogen naderen,
Me omringd van Wapens zien van mijn beroemde Vaderen.

    Zoo is dan Zemoos Zoon (roept Karril zuchtende uit)
Gevallen! — Welk een smart! — Zorlans frissche spruit,
Zoo blijft ge in ’t prilst der jeugd, verlaten Weduwvrouwe,
Geleverd tot een prooi aan nooit vertroostbren rouwe!
De vrucht van uwe min, van zulk een tederheid,
Vraagt, hupplende aan uw’ schoot, waarom zijn moeder schreit.
Haast zal hy ’t lief gezicht van ’t feestgewelf verheffen,
En ’s Vaders Oorlogszwaard zijn vurige oogen treffen;
Dan vraagt hy met een’ lach, aan wien dat zwaard behoort:
En ’t moederlijke hart wordt telkens meer doorboord. —
Weent met haar, Turaas vest, en Dunskais hooge wallen!
Uw roem, uw steun, uw heil, zijn thands in puin gevallen,
En Helden, die met in ’t krijgsveld hebt gestren,
Getuigen van zijn’ roem, neemt deel in ons geween!

    Maar, hemel! wie, wie vliegt als ’t hert der woestenijen
Den heuvel op, om ’t lijk een teedren traan te wijn?
Konnal! ach, waar waart ge als Erins Krijgsheld viel?
Wat ’t, dat Kogormoos zee uw kielen wderhiel?
Was u de Zuidenwind in ’t spannend zeil gevallen?
Wy streden, overstelpt van ’s Vijands duizendtallen;
En gy, gy hieldt u verr’van dit rampzalig strand! —
Dat niemand dit verhale in Morvens boschrijk land!
Ach! Fingal zou met ons, zijn deerlijk lot beweenen,
En—heel zijne Oorlogsschaar zich met hunn’ Vorst vereenen!

   Naby aan ’t dof gebruisch van Legoos golvend meir
Wordt ’s Konings graf gesticht met ijdle krijgsmans eer.
De trouwe Luath ligt aan ’s meesters voet begraven.
Der Barden lijkzang scheen ’t gestarnt’ voorby te draven.

   Gezegend zy uw ziel, Zemoos dappre Zoon!
Groot waart ge in ’t Oorlogsveld, en aller Helden kroon.
Uw kracht was als een stroom, door geen geweld te teugelen;
Uw vlugheid, als de spoed van wapprende Arendsvleugelen.
De dood zweefde op uw spoor door ’s Vijands drommen heen,
En ’t krijgslot was beslist, waar Erins held verscheen.
Gezegend zij uw ziel, Hoofd van Dunkais kusten!
Moge uw eedle geest in zachte kalmte rusten!

   Gy vielt, wakkre Vorst, door ’t staal der Helden niet.
Geen speer, waar langs het bloed van Erius koning vliet!
Een wreede, een vloekbre schicht, ten heirboge afgesprongen,
Heeft als een bliksem, zich in ’t edel hart gedrongen;
Onzichtbaar, als de schicht, die uit den pestdamp treft:
Van hem, wiens hand ze ontvloog, van ieder, onbeseft.
Gezegend zij uw ziel, Hoofd van Turaas wallen,
Gy, onverwinbre Held, verraderlijk gevallen!

   De Hal van Kormak is verlaten. Kormak treurt,
Wanhopig dat hem ’t lot heeft van uw zij’ gescheurd.
Uw beuklaar klinkt niet meer, van d’Oorlogskreet vervangen.
Hoe ziet hy naar u uit, met radeloos verlangen!
De vijand zamelt zich en dreigt zijn zwakke Macht.
Ach (roept hy), Erins Vorst, waar blijft uw Heldenkracht!
Rust zacht, strijdbaar Hoofd van Erins Oorlogshelden!
Rust in den schoot van ’t graf, daar wy uw glorie melden!

   Bragla smoort de hoop, waar van heur boezem brandt,
En zoekt geen zeilen meer, aan ’t platgetreden strand,
Steeds zit zy in de Hal de wapens aan te schouwen
Van hem die de oogen sloot. Rampzaligste aller Vrouwen!
Heur oogen smelten weg in een’ onstelpbren vloed,
Terwijl haar borst versmacht in ondoorstaanbren gloed,
Gezegend zij uw ziel, Roem van Erins braven!
Het hart van wat u minde, is nevens u begraven.

1804.


Opmerkingen van de Dichter.

Simora.

Een heuvel.

Lodaas geest.

Men zie de Karrikthura.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 30 september 1997