Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Maaiers.

HERDERSZANG.

MILO, BATTUS.

MILO.

Elendig Maaier, foei! wat scheelt u; arme bloed!
Gy houdt geen rechte streek in ’t maaien dat ge doet,
Maar ’t gaat met bocht by bocht als ’t golven van de baren,
En ’t is, als of ge niet met de andren voort kunt varen.
Gy koomt een gantsch stuk wegs in d’arbeid achter aan,
Als ’t schaapjen, dat zijn’ voet vertuit heeft onder ’t gaan;
En blatende, op den tocht de kudde na koomt hinken.
Wat zult gy t’ avond doen, die nu reeds d’arm laat zinken!

BATTUS.

Zeg, onvermoeibre knaap, een steenblok als gy zijt,
Hebt ge ooit naar iets verlangd, daar ’t zuchtend hart om lijdt?

MILO.

Neen, nooit. Een arbeidsman, wat zou die wenschen mogen!

BATTUS.

Dreef ooit de minnepijn de sluimring uit uwe oogen?

MILO.

’t Zal, hoop ik, nimmer zijn : de worst bekoomt geen’ hond.

BATTUS.

En ik, ik kwijn sints lang aan zoo’n onheelbre wond.

MILO.

Zoo hebt ge ’t zeker ruim. Ik moet er hard voor werken!

BATTUS.

Van daar is op mijn grond geen spoor van ploeg te merken.

MILO.

Wie is dat Meisjen dan, dan gy zoo hevig mint?

BATTUS.

Die lestmaal voor ons zong, ja, Polybootus kind.
Ge erinnert u aan de oogst op HippocůŲns akker?

MILO.

Zoo! Loontjen vond zijn’ man! — Daar sla geluk toe, makker!
Zy zingt als ’t krekeltjen, en is zoo mager ook.
’t Zal warm zijn aan haar zij’, ze koomt pas uit de rook.

BATTUS.

Ja, spot vrij! Plutus wordt alleen niet blind bevonden;
De kommervolle min heeft ook het oog bewonden.

MILO.

Ik spot niet. Sla gy slechts de seissen weÍr in ’t graan,
En hef een minnelied op deze uw schoonheid aan:
Zoo zult gy d’arbeid zoo niet voelen. Want voordezen
Placht ge immers, naar men zegt, een Zangers baas te wezen!

BATTUS.

Ű Zanggodinnen, zingt de tengre en slanke Maagd!
Gy roert geen voorwerp aan, hoe haatlijk of ’t behaagt.
Geliefde Bombycť! men moge uw schoonheid smaden,
Als schraal, en uitgeteerd, en zwart van ’t Zonnebraden;
My zijt ge, en my-alleen, de aanminnigste Bruinet,
En overtreft in kleur de honig van Hymet.
De veldviool is zwart, de hyacinth heeft vlekken,
Maar zou hun dit in ’t veld tot minder luister strekken?
De Wolf vervolgt de Geit, het Geijtjen de ∆gofyt;
De Kraan vervolgt de ploeg die door den akker snijdt;
Ik, razende van min, ik volg u na met de oogen;
Ik hijge u na in ’t hart, voor u-alleen bewogen.
Ach! had my ’t lot een’ schat als Krezus toebedeeld;
Ik, stichtte uit smijdig goud ons beiden elk een beeld,
En wijdde ’t Venus toe. Gy zoudt een veldfluit voeren
En staan met myrth omkransd, gehuld met parelsnoeren;
Ik, huppelde op den toon, en tot den dans geschoeid.
Geliefde, om wie mijn borst van helle vlammen gloeit!
Uw voet is scheutig, blank, als ’t been der Elpentanden:
De purpergloed vna ’t West kleurt beide uw spichte handen:
Uw zangrerige stem is, als de wol, zoo zacht:
Uw zeden zijn ’t sieraad, de roem van uw geslacht!

MILO.

Wat heeft die Maaier ons een heerlijk lied doen hooren!
Wel schoone melody! Nog zuist zy my door de ooren.
Wat voegt het by dien baard die in uw lippen steekt!
Maar hoor nu ’s de taal die : LytiŽrzes spreekt.

ę Ű Vruchtbre graangodin, gekroond met gulden airen!
Geef, op ’t bearbeid land een heerlijke oogst te ga‚ren.—
Bind schoven, Maaiersgast! de vlijt maakt arbeid licht,
Dat niemand u op ’t veld van werkloosheid beticht’! —
Geeft acht, ’t gemaaide graan met de afgesneden enden
Bestendig naar het Noord of ’t Westen toe te wenden,
Op dat de droogende air te beter zij gevoed. —
Gy die het koren dorscht, vermijd den middaggloed:
De middag geeft slechts kaf, en luttel graans te malen. —
De Maaier streeft den glans der eerste morgenstralen
Vooruit, en vang’ zijn werk by ’t vogeltjilpen aan,
En eindig’ met het licht; leer, hitte door te staan,
En zij der vorschen beeld, die nooit naar drinken vragen,
Maar, vrolijk in hun glas, de felste zon verdragen! —
Doch gy die ’t arbeidsvolk in ’t recht der spijs verkort,
Zie toe, en vrees den vloek dien ge op uw’ schedel stort!
Verdeel geen tarwengrein, gy mocht uw handen kwetsen! Ľ
Zie daar, wat dienstig is den werkman voor te schetsen!
Zie daar den rechten zang, geschikt voor ’t maaiers oor!
Gy! zing uw BestemoÍr uw dwaze liefde voor!

Na Theocritus.

      1804.


Aantekening van de Dichter:

∆gofyt Geitenplant: andes cythisus genaamd.



E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 30 september 1997