Hoe t hart zich kennen deed aan juiste keus van woorden,
En Vriendschap op t papier in zuivrer
trekken sprak;
Hoe streelend vloot de maat van mijne Cytherkoorden!
Hoe sierlijk toog mijn pen door t witte
lettervak!
Maar valschheid weet aan t hart zijn toon en stem te
ontleenen,
En de inkt verschiet geen verf om t geen
de hand bedoelt.
Wat zeg ik! Legt men t oog geen hartbeschamend weenen,
Ja, t hart geen zuchten op waar van het
niets gevoelt?
t Is alles veinzenvol en vol bedrieglijkheden,
Ja, Liefde en Vriendschap-zelf gaan in vermomd
gewaad:
De Waarheid vindt geen borg in Godgeheiligde eeden;
De Vrouw, in t hechtst verbond geen
zeekre toeverlaat.
En echter, van mijn hand durft ge u een blijk belooven,
Dat van een ziel getuigt, aan uwe ziel
verknocht?
Met recht, mijn dierbre Vriend! van t rond der aard
verschoven,
Zij Vaderlandsche trouw in deze borst gezocht!
Wel dan, aanvaard dit pand, van t needrigst kunstvermogen
En dank het lot voor één VOOR EENEN teedren vrind!
Maar tevens voor een Gâ, de minlijkste in uwe oogen,
Die teêder nog, kan t zijn, en even
trouw bemint!
1784.
Ingezonden: 2 oktober 1997