Willem Bilderdyk (1756-1831)

Grafschrift.

Martialis gevolgd.

Hier ligt de grijze Alix. Te vroeg naar ’t graf gedragen
   Bezweek ze en gaf het op in ’t midden van heur baan.
Nog faalde er aan heur’ tijd een klein getal aan dagen,
   Om met Methusalem volmaakt gelijk te staan.
Thands zwijgt die wakkre keel, die duizend keteltrommen,
   Die al de ratelen en wekkers van de stad;
Die Visch- en Varkensmarkt zeeghaftig deed verstommen,
   Zoo lang heur gorgel lucht, heur tong beweging had.
Wie immer wist als zy, door onbegrijplijk kwaken
   Natuur in band te slaan, te dwingen met haar stem?
De doven hoorende, die hoorden, doof te maken,
   De wijsheid, hersenloos; de reden, zonder klem?
Toeft, wandlaars, gy, die nooit heur weÍrgade aan zult schouwen;
   Men vergt u traan noch bloem op ’t graf van deze best;
Maar dekt, op dat geen tocht heur beenders doe verkouÍn,
   Dees vierdhalf voeten gronds met verschgewonnen mest.

      1795.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 1 oktober 1997