Willem Bilderdyk (1756-1831)

In het stamboek eener Hollandsche dame.

Die trachte u kunstgebloemt’ om ’t blonde haier te strengelen,
   Die, Hoogstbegaafde Vrouw, uw waarde niet beseft!
Laat Dichters Goden zijn, ja meer dan Hemelsche Engelen,
   Geen leeft er, die verdient dat hy uw ooren treft.
Hy roeme u, die gelooft dat u zijn lof vereere!
   Mijn wierook brandt in ’t hart, maar flikkert niet in ’t oog;
En op wat prijs uw gunst mijn’ schamlen zang waardeere,
   De lofgalm die u voegt, is voor mijn snaar te hoog.
Ja, brandend wenscht mijn ziel een hulde u op te dragen,
   Maar die in koude taal noch leÍgen klank bestaat:
Doch, Eerbied houdt het oog by ’t outer neÍrgeslagen,
   En siddert, dat de God wat ze aan kan biÍn, versmaad.
Ach! kwam de Dichtkunst-zelv u uit heur Choor begroeten,
   Van ’t hupplend Geestendom in staatsie begeleid,
Eťn oogwenk! en zy viel verstommende aan uw voeten,
   Zoo dra ze een zweemsel zag van uw voortreflijkheid.
Ja, dieper voelt mijn hart dan ’t macht heeft uit te drukken,
   Waar, door ’t volmaakste op aard, de Hemel henen blinkt.
’t Beschouwt en ’t opent zich aan ’t Hemelsche verrukken,
   Het bidt bewondrend aan, ’t verliest zich, en ’t verzinkt.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 2 oktober 1997