Willem Bilderdyk (1756-1831)

Verjaargroet.

AAN MIJNE EGADE.

Niet een bloemtjen, niet een toontjen, op uw Jaarfeest, lieve G!
Is mijn brein dan zoo onvruchtbaar, zoo geheel verwinterd ? — JA.
Of voelt mijn boezem minder voor uw lieve aanloklijkhen?
Is me uw terheid minder dierbaar dan zy was of zijn moest? NEEN.
Ach! wat zou die boezem wenschen op dees heimplaats des verdriets
Dan de zalighen der liefde die uw har my uitstort? NIETS.
Lijden kan ik alle plagen van het onverduurbaarst lot:
Want wie heeft ze my beschoren? wie my toegezonden ? — GOD.
Lijden kan ik, wat het lichaam, moet het, uit kan staan van smart.
’k Ken n bron van weelde en smarte; en wat is die welbron? ’T HART.
’k Kan de kwelling fier verachten, die vernederde eerzucht lijdt.
Wat is in mislukte ontwerpen de angel die ons prikkelt ? — SPIJT.
’k Kan gebrek en kommer dragen : Hoe het in de wareld loop’,
Wat’s als alles wil bezwijken, ’s Christens ondersteuning ? — HOOP.
Ja, gelukkig in uw armen, ’t zij in nood of overvloed,
En te vren met Gods bestelling, wat s me al wat voorkoomt ? GOED.
Hoe vrolijk wilde ik zingen, lieve Werhelft, op uw feest!
Doch wat faalt my om te zingen? Dierbaarste, ach! gy weet het! GEEST.
Wat, wat bleef my, even hevig naar den geest en ’t lichaam krank,
Om den Hemel op te dragen? om aan u te schenken ? — DANK.
Dank en Liefde, dierbre Gade, zie daar al wat ik vermag!
’k Wij’ ze u beide, dit ’s mijn feestzang! Want wat anders rest my ? — ACH!

      1803.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 2 oktober 1997