Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan mijne Vrienden in Amsterdam.

   In de eenzaamheid verdiept, droefgeestig, nergeslagen;
En bloedende om ’t gemis van vrienden, huis, en magen,
Aan Elbe en Wezerstroomen als by de kronklende Eems,
Op Duitschlands hoog gebergte als aan den zoom der Teems,
In ’t aaklig mierennest van Hamburgs stugge zwoegers,
Als in de wareldstad der Britsche waterploegers,
Waar heen mijn voet me ook voer’, mijn oog zich wende of keer,
Mijn hart reist nergens met me, of ’t keert tot uwent wer;
Keert (dat zich woede en spijt des onverzoenbaar belgen!)
Tot Vaderland en Gade en onvergeetbre telgen!
En ’t sleept op elken stap de keten me die ’t boeit,
En altijd zwaarder wordt naar mate de afstand groeit.

   Gezegend, midden in den poel van Staatsellenden,
Gezegend zy uw huis, dierbre Welbekenden,
Die nog het denkbeeld van uw’ vriend, uw’ bloedverwant,
Niet achtloos van u schudt of uit uw hart verbant!
Gods Engel zweve om u en dekk’ met hemelvlerken
Dat Godgeliefd verblijf, die tuin en wandelparken,
Die kamers, aan de deugd en wetenschap gewijd,
Waar in ge, uw’ plicht getrouw, uw lieflijke uren slijt,
De schoone kunsten kweekt, het hart van brave vrinden
Door ’t edelst Dichtmuzyk aan ’t uwe weet te binden,
En ’t teedre weesjen voedt, dat van uw weldan leeft,
En, verr’ van my, niet weet of ’t nog een’ Vader heeft.

   Voor my, in eens ontrukt aan wat my ’t harte streelde,
En zelfs niet vatbaar meer voor de allerminste weelde,
Die tusschen de aaklighen der zwartste onzekerheid,
Onwetend waar het lot my eindlijk henen leidt,
Met rustelooze schren een scheemrend goed bejage,
Dat op mijn naadring vliedt als in een hinderlage,
En, even als die kring die aarde en lucht omtrekt,
Van verre eind belooft, maar ’t altijd verder rekt;
My doemde ’t wuft geval in d’avond van mijn dagen,
Van rijk tot koningrijk een mondvol broods te vragen,
En ’k vind in ’t gantsch heelal, aan ’t einde van mijn weg,
Geen eigen plekjen gronds, waar ik my nederleg.

   Dan, ’t zij zoo! ’t Is uw wil, uw eeuwig welbehagen.
Hemel! verr’van my dat ik my zou beklagen!
’t Zij ’t straffe of tuchtro zij’, almachtige Opperheer;
Zoo straf, ’k verdiende uw ro; zoo tucht, ik b uig my ner.
Uw goedheid leerde ik nooit miskennen of verdenken;
In ’t zure en ’t zoete, God, waardeere ik uw geschenken.
Aanbidde ik met een hart, dat nooit U heeft mistrouwd,
Den heiland van mijn ziel, die tuchtigt, en behoudt.

   Maar gy, wanneer gy soms uw dwalende gedachten
Naar ’t lijdende offer went van ’t harde plichtbetrachten,
Gelooft gy, dat gy ooit het duizendst deel bevroedt
Van ’t geen de onzalige in zijn zwerven, uitstaan moet?
Mijn vrienden, waant het niet! Ach Al de rampen tevens
Eens van de menschlijkheid geheel verlaten’ levens,
Wat armo, wat gebrek verschriklijkst toont op de aard,
Zijn in de ballingschap, als in n put, vergard.
Van onderstand beroofd, van aanspraak, heul en vrinden,
Ik elk wie u ontmoet, een’ vijand te ondervinden,
Een’ roover, tuk op buit, die, op uw goed verhit,
Gedurig aanslag maakt op wat ge ook nog bezit :
Die u, om ’t handvol goud, waarme ge uw leed moet rekken,
Belaagt, als waar ’t een schat, die dooden op kon wekken;
En, met een’ nijd in ’t hart, dien ’t oog slechts half verheelt,
U aanklaagt by zijn’ God als veel te ruim bedeeld: —
Op elken voetstap steeds een nieuwen last van plagen
Te voegen by het pak dat hals en schouders dragen: —
Nu laafnis, dan verdek, en wijk en legerste
Te ontbeeren in een’ staat van ’t smachtends lichaamswee: —
In ’t blaakren van den oogst, van dak ontbloot en bladeren,
Den middagzonnegloed op ’t hangend hoofd te gaderen,
Daar midden in dien brand het uitgestrekst gewest
Geen teugjen vochts verschaft, dat tong op lippen lescht: —
In noodstorm en orkaan, als ’s hemels donders klateren,
De dampkring nederstort als in een zee van wateren,
En ’t blaauwe bliksemvuur het siddrend aardrijk splijt,
De beuken heinde en verr’ van tronk en wortel rijt,
Voorby uw zijde snort, en losknalt voor uw voeten,
Geen schuilplaats, hoe gering, voor ’t baldrend wer te ontmoeten,
Geen vonkjen avondbrand, dat ge uw verkleumende len
Moogt koestren bij een kool of doorgegloeiden steen,
Uw doorgeweekt gelaat van ’t druipend water droogen,
En d’omloop van het bloed door zachten gloed verhoogen;
Geen blok, waarop ge ’t hoofd als ’t van vermoeidheid knikt,
In ’t sluimren ondersteunt en door de rust verkwikt;
Geen enkle handvol stroo, om op den vlor te dekken,
Waarop ge in machtloosheid het lichaam uit moogt strekken;
En als u ’t lijf bezwijkt, daar de uitgeputte kracht
Om nieuwe sappen schreeuwt, naar steunend voedsel smacht,
Wanneer ge op uwen tocht uw’ voorraad ziet ontbreken,
Niets eetbaars op te doen in zelfs bewoonde streken,
Maar, schoon ge uw goud alom in de oogen blinken doet,
Te hongren naar het brood dat elders honden voedt. —

   Dit al is slechts een deel van ’t geen de ramp der tijden
Ons op d’onzeekren tocht door Duitschland dwingt te lijden.
Ach! Duitschland is niet meer hetgeen het voormaals plach,
Als welvaart in de schauw van ’t strenge Landgezag
Door dorp en wijken bloeide, en ware schatten teelde,
Nog niet door ’t gift besmet de Nederlandsche weelde.
Toen de arme boer geen goud, geen kostbre kleederdracht,
Geen overdaad vertoonde in huis of huisraadpracht;
Maar daaglijks zijn gezin, dat om zijn tafel praalde,
Op krachtvol zwijnenvleesch en voedzaam brood onthaalde,
En niets begeerlijks wist van Donaumond tot Rhijn,
Dan welgevoed, gezond, en vastgespierd te zijn.
Helaas! zy zijn voorby, die meer dan gouden dagen!
’t Verderf heeft overal zijn klaauwen ingeslagen;
Ook hier de valsche zucht naar vrijheid voortgeplant,
En nijverheid en bloei verdreven uit het land.
De bouwman mort en kwijnt, zijn oogsten gaan verloren :
De vadzigheid wint veld, de zeissen schuwt het koren,
De ploeg de vette kluit, die tegen ’t ijzer glimt,
Een woeste wrevel stijgt, die hoog en hooger klimt.
De hoofden hangen met de werkelooze handen:
De handen staan in vuur, de zinkende oogen branden;
De boezems hijgen; en het doel om ’t welk men blaakt,
Is dat m’ op Frankrijks spoor, zich-zelf rampzalig maakt.

   Nog meer! De woeste Krijg, uit d’afgrond opgedonderd,
Heeft burcht en dorp en land van alles uitgeplonderd.
Dat monster, dat alom de velden, waar ’t zich wendt,
Met ijzren hoef vertrapt, en vriend noch vijand kent,
Zin’ dollen moedwil koelt aan weerelooze boeren,
En niets behoudt of spaart, dan om ten roof te voeren :
Dat schrikdier liept alom de vruchtbare akkers plat,
Vernielde in arren moede wat de armo overhad,
Doorkruiste dorp noch streek in ’t heen of weder rukken,
Of teekende zijn spoor met bloed en gruwelstukken,
En liet den dorpling niet in zijn berooide stulp,
Dan wraakzucht zonder macht en noodkreet zonder hulp.

   Wat wordt er, groote God, van deze onzalige oorden?
De stroomen wentlen bloed langs hun ontvolkte boorden;
Verwoesting voert de ellende, en zy de wanhoop, aan.
Heel de aard’ schijnt tegen de aard in dolheid op te staan.
Waar vliedt ge, Welvaart, heen? en waar, genoeglijkheden
Des levens? Eer? Verstand? Begaafdhen, Kunsten? Zeden?
Gy, Godsdienst, zeekre troost die nooit een hart verraadt!
En, die alleen door haar, in haar-alleen bestaat,
Steeds hooggeroemde Deugd, die we allen heilig achten,
Maar nooit, dan uit belang of ijdelheid betrachten?
Heel de aarde, ons Warelddeel, wordt woeste drift ten buit;
Barbaarschheid strekt op nieuw heur klaauwen naar ons uit,
En de ijsselijke nacht van weedom en ellenden
Keert wer, dien ’t Christendom zoo heilrijk om deed wenden.
Het tijdvak keert terug van gruwzaam wangeloof,
Voor dankbaarheid, natuur, en alle plichten doof.
Het aaklig Jammerbosch, dat de onbeschaafde Schlaven
Hun grijzaarts slachten zag of levendig begraven,
Vernieuwt de moordkreet wer die door zijn blaadren rolt,
En ’t bloed van wie ’t genaakt in hart en aadren stolt.
Wat gruwlen! Heilig God, wil dien nood verhoeden!
De Vader trapt den wulp, dien hy niet weet te voeden,
De lenden in : de zoon draait ’s Vades gorgel om :
’t Gebrek verslindt en kind en zwakken ouderdom :
En, om een enkle hand van ’t ongeachtste voeder,
Verwurgt des Broeders vuist zijn’ hongerenden Broeder. —

   Of dole ik ? — Geef, mijn God, geef het dat ik dool!
Maar ach! verschopt men niet het purper met de stool?
De throonen met ’t altaar? de weegschaal met de wetten?
En waar, waar is de macht, dien moedwil perk te zetten?
Neen, Duitschland is geweest, en sleept Europa me
In d’afgrond, dien ’t zich delft, van nog onnoembaar wee.
’t Van een verwijderd rijk sloopt, in verblinde woede,
De burcht, die duizend jaar zijn’ ondergang verhoedde;
Rijt, onbesuisd en dol d’onschatbren band van een,
die ’t Hoofd des Staats verbindt met d’onderlinge Len.
Zij Vorsten vallen zelf, en de een op ’s anders voorbeeld,
Den bittren vijand toe, door elk om ’t zeerst bevoordeeld.
En ach! op Duitschlands grond is, eer men ’t denkt misschien,
Van Duitschlandsch Staatsgestel geen’ voetstap meer te zien.

   Daar ligt dan ’t machtig rijk dat Turk en Gal deed beven;
Euroop ’t bestaan, de wet, de Godsdienst heeft gegeven;
Met Karels moed aan ’t hoofd, te machtig scheen voor de aard;
En in den felsten schok, zijn grootheid heeft bewaard.
Dat, schoon van allen kant geplonderd en ontheisterd,
Zijn wrakken steeds hereend, zijn plondraars heeft geteisterd,
Zijne overmacht hersteld, en ’s afgronds wrok ten spijt,
Geheel de Christenheid van ’t Oostersch juk bevrijd!

   En gy, mijn Vaderland! — Hemel, zoo weldadig,
Vergeef, vergeef mijn be, maar wees het nog genadig!
Helaas! de tijd genaakt, dat mooglijk zelfs den grond
Onkenbaar wezen zal, waar Nerland kortlings stond.
De meineed, roof, ’t geweld, het bloed dat haast zal vlieten,
Verdagvaardt ’t Hoogsten wraak, zijn bliksems af te schieten.
Ik hoor ze, groote God! zy raatlen in uw hand!
Genade, God, gen! behoud mijn Vaderland!

   Mijn tranen stroomen op dit denkbeeld. Ja, zy stroomen!
De jamm’ren zin tot nog aan ’t toppunt niet gekomen! —
Nog meer onschuldig, meer beklaaglijk Vorstenbloed,
Dat deze onzalige aard welhaast bezoedlen moet! —
De monsters uit de put van ’s afgronds zwavelkolken
Gestegen, foltren nog en zoeken nieuwe volken. —
’t Verdelgend Oorlogszwaard, de Pest, de Hongersnood,
Heeft, elk, zijn deel nog niet geofferd aan den dood.
De woedende Tyran, verwacht van de Oosterkimmen,
Die d’algemeenen throon des aardrijks moet beklimmen,
Blijft met de nevels van ’t toekomstig nog omhuld. —
De maat des lijdens is aan ’t rijzen; niet vervuld. —
Gods vinger toont zich; — maar onze ongeduldige oogen
Zien ’t Godlijk merk voorby, door aardsche drift bedrogen.
En vragen, wachtensmo, van d’afgeloopen dag,
Het geen een volgend uur ons eerst verschaffen mag.

   Dan ach, mijn Vrienden! zoo, na zoo veel wrange plagen,
Nu alles ’t geen Gods hand ons opleide om te dragen,
Na alles ’t geen zijn wil nog over ons besloot,
Het leven harder schijnt dan de uitgezochtste dood :
Wat wordt er dan van ons, die in dees donkre tijden
Zoo veel, zoo eindloos veel, zoo onverduurbaar lijden,
Zoo week van boezem zijn? — Zal de angel van de smart
Verstompen op het eelt, van ’t langgebeukte hart?
Zal de afgesoolde ziel aan ’t schouwspel zich gewennen,
En in Gods schikbre wraak de hand van God miskennen?
Neen, nimmer! De eeuwige, die ons een’ indruk gaf
Van ’t tijdperk, waar we in staan, van zijn geduchte straf;
Die ons in ’t gene ons grieft, met deze erkentnis zegent;
Heeft laafnis voor ons hart, ook dan als ’t vlammen regent.
Hy riep ons om zijn macht met siddring g te slaan
In ’t foltren van eene aard, met gruwlen overlan;
Zijn naam, zijn Mogendheid, zijn Waarheid, eer te geven;
Zijn heiligheid, zijn Recht, te aanbidden en te leven!
Zouden we in die hoop, in dat vooruitgezicht,
Dat zaligend gevoel, dan wanklen in dien plicht?
Den kommer, ’t wreedst gebrek, de gruwzaamste onderdrukking,
Den dood voor ’s Heilands naam, niet aanzien met verrukking?
En, daar ons de avondkoelte alreeds in ’t Westen groet,
Ons niet een moeilijk uur getroosten in de gloed?

   Wat zegge ik? Groote God, geef ons, zwakken, krachten!
Versterk ons in ’t geloof, in ’t zalige verwachten!
En, in den dag kwaads, als alles valt of vliedt,
Verlaat, genadig God, verlaat dan de Uwen niet!
   Doch, dierbren! ’k hou te lang dobbrende aandacht bezig.
Ach! maakt ons ’t onderhoud elkandren niet aanwezig?
Waar leeft op ’t wareldrond, waar is die wreedaart dan,
Die aan mijn zuchtend hart dees troost misgunnen kan?
Gy, gy voor ’t minst, gy zult, o tergeliefde Vrinden,
Mijne aanspraak, hoe ze ook zij, niet onbescheiden vinden;
En ’t hart verstrekt my borg, dat gy een zwak verschoont,
Dat u ’t gevoel bewijst dat in mijn binnenst woont.
Vaartwel! ontfangt mijn’ groet, misschien mijn laatsten zegen!
Toont u, in ’t hulploos kroost, den vader toegenegen;
En smeekt d’Almachtigen God, indien ’t zijn wil gedoogt,
Dat ge eens in ’t Vaderland mijne asch vergaadren moogt?

Hamburg.

      1795.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 1 oktober 1997