Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan mijns Broeders jonggeboren Zoontjen.

By uw’ aankomst in dit leven
U geen’ welkomgroet te geven,
   Ware onglijk, kleine bloed!
’t Waar, in weinige oogenblikken
U van ’t leven af te schrikken,
   Dat gy toch wel ingaan moet.

Ja, mijn golijk, aartig knaapjen,
Zie eens uit uw kalverslaapjen,
   Zie eens in de wareld op!
Ja, WY MOETEN, zonder vragen. —
’t Moge ons lusten of mishagen,
    Pof, daar zijn wy, kleien pop!

Dan aan ’t schreeuwen, dan aan ’t huilen!
Maar helaas! daar baat geen rpuilen.
   Och, er vaart geen schuit werom.
Blijven moet ge, teder lammetjen,
En uw troost bestaat in ’t prammetjen;
   Dat is al uw eigendom.

Nu, dan schijnt u wel te smaken;
En het moog u recht vermaken!
   ’k Wensch het u, mijn beste maat!
En wat verder mag gebeuren,
Spelen, dartlen, lachen, treuren,
    Dat zal loopen zoo het gaat.

Wees dan welkom! leef te vreden,
En stap eens met mannentreden
   Door dat ruw en hobblig pad,
Dat wy menschen leven noemen,
Rijk aan dorens, schaarsch aan bloemen,
   ’t Geen ik reeds ten einde trad.

Mooglijk, en ik wil het hopen,
Vindt ge ’t zoeter door te loopen
   Dan het my gevallen is.
’k Moest het onder zware buien,
Bukkend, kreupel, overkruien;
    Gy, doorspring het, blij en frisch!

Moogt gy al die hagelvlagen
Van des aardrijks Winterdagen
   Wer in Lent’ verwisseld zien,
En een streelend zonneschijnen
’t Reetjen van uw wieggordijnen
   Reeds een schemerlachjen bin!

Moogt gy rozen zien ontsluiken,
Waar ik niet dan distelstruiken,
   Vruchten, waar ik eikels vond!
Frissche bron, waar ik moerassen!
En de last niet zwaarder wassen,
    Dan gy vrolijk dragen kondt!

Drukt zy nogtans op uw schouders;
Denkt dan, knaapjen, aan die ouders,
   Welker bloed u oorsprong gaf :
Voel dat bloed uw hart doorzweven :
Wacht het onheil zonder beven;
   Wend het door geen laaghen af!

’t Wensch u goud noch viezevazen
Die een oogwenk weg kan blazen;
   ’t Wensch u toeverzicht op God!
Schatten, die de ziel verrijken,
In geen sterfuur van ons wijken,
    Onontroosbaar zijn door ’t lot!

Nimmer zie ik, minlijk wichtjen,
’t Blosjen op uw aangezichtjen
   Andwoord geven op uw’ groet :
Maar zoo ooit in rijper jaren
’s Warelds leed u mocht bezwaren,
   Schep dan uit mijn voorbeeld moed!

Dan, wat stelle ik my ten voorbeeld?
Nimmer hebb’ u ’t lot veroordeeld
   Tot het geen het my beschoor!
Echter zoo van de oude jammeren
Wer een schemer op mocht dammeren,
    Stel uw afkomst niet te loor!

Zie dan in uws Vaders Wapen
D’afgrond schuimen, buldren, gapen,
   Maar de Rots onwrikbaar staan.
Zeg dan : Liever van de golven,
Zoo het zijn moet, overdolven,
  Dan onedel om te slaan !  

Sprokkelmaand,
      1808.
In een zwaar toeval van ziekte.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 8 oktober 1997