Willem Bilderdyk (1756-1831)

Mijn Buitenverblijf.

Whiel is yet live, let me not live in vain.
(Vertaling: Terwijl ik nog leef, laat mijn leven niet vergeefs zijn.)
   —   A D D I S O N.

   Gy wenscht my dan geluk, mijn Vrienden! In wat zin?
Ach, doorgaads sluit dat woord eene andre meening in
Dan ’t geen het naar zijn’ aart wel uitdrukt : duizenmalen
Misbruikt men ’t, en vrees ik mocht in de uwe dwalen.
Meest zegt het : « ’k Ben verheugd om ’t geen u viel te beurt;
« ’k Neem in dat lukjen deel, dat elk als voorspoed keurt.
« Geniet het ongestoord, gezond, en wel te vrede ! » —
Zoo meent gy ’t ook, niet waar? Dat is zoo, stijl en zede.

   Mijn Vrienden, ’t mag zoo zijn. Ik ben de Haag ontvlucht.
Ik adem, vrij van stank, gewoel, en straatgerucht,
En Haagsche beestlijkheęn die voor beleefdheid gelden,
En ruilde ’t walglijkst hol voor ruime en frissche velden.
Voorzeker dit ’s een goed! wie twijfelt of ’t dit zij?
Maar ach ! genot van ’t Land, is dat gemaakt voor my?
Hier nutloos op het veld, als onkruid, voort te groeien, —
Van schaamte, dat ik ben, om ’t bukkend hoofd te gloeien, —
Lucht, voedsel, dag, en uur, die ’t nutloos verslijt,
My-zelven reis aan reis te reeknen to verwijt, —
Te leven, van ’t heelal als met den ban geslagen;
By redenloos gedierte, om ’t afgunst toe te dragen,
Wanneer het door zijn vacht, zijn zuivel, of zijn bloed,
Natuur en Maatschappy zijn onderhoud vergoedt.
Zoo dit geluk moet zijn, beken ik niet te weten,
Mijn vrienden, wat het merk van ’s hemels vloek moet heeten.

   ’k Leed jammerlijk, ’t is waar, in Brunswijk dikke lucht.
Mijn boezem werd verscheurd door heeten zucht op zucht
Naar ’t dierbaar Vaderland, naar Hollands frissche stranden,
En ’k vond noch duur noch rust in hart of ingewanden.
Maar echter, ’k had één troost by ’t allergrievendst wee:
’k Was nuttig, hoe ik leed, zelfs op mijn legersteę.
Ik derfde d’invloed nooit der kuische Zanggodessen,
En vormde een Jonglingschap, die prijs stelde op mijn lessen,
Voor wetenschap, voor smaak, voor Godsdienst, recht, en deugd.
Mijn boezem goot zich uit en over in die Jeugd,
En voelde, zelfs in ’t felst van ’t uitgeteekendst lijden,
De kalmte, van zich-zelv’ een’ dierbren plicht te wijden.
Men doemde wat mijn vlijt zoo moeizaam had vergaârd,
Niet met mijn stervend rif voor eeuwig onder de aard.
Zieltogend, met de dood reeds zwevende op mijn wangen,
Bleef nog het leergrâge oor als aan mijn lippen hangen,
En ’k zag mijn vlotte stem nog kluistren aan ’t papier
Zoo lang zy hoorbaar was. — Maar ach! wat doe ik hier!

   Ach! Grootheid, weelde, schat — ! Wie in die rinkelbellen
Zijn lust schepp’, wie om haar zijne eedle ziel moog kwellen,
Ik zocht haar niet; mijn hart is smaakloos voor dat zoet.
Maar vrede zocht ik, rust, en kalmte van gemoed;
Maar plicht, bestemming, einde, en doelwit van mijn leven,
Maar de aandrift van het hart waar door ik wierd gedreven
Getrouw te zijn; en ’t licht dat my Gods goedheid gaf
Niet weg te spillen met verachtlijke aardsche draf.
Neen, ’k kwam in ’t Vaderland uit verr’ gelegen hoeken
Geen werkloos plantbestaan, geen brood der luiheid zoeken,
Maar bracht dees dierbren grond wat elders achting won,
Wat ijver, arbeid, zucht, en oefning gaadren kon,
Wat Theems en Oker nutte, en vrucht droeg op heur boorden,
Wat de aandacht tot zich trok tot in de nacht van ’t Noorden;
En ’t zaad der wetenschap te werpen in uw’ schoot,
Dit was mijn doel, mijn wensch, geliefde Landgenoot.

   Maar ach! ik gaf vergeefs de roepstem van mijn vrinden
Gehoor! Bedriegbre waan, wat weet gy ’t oog te blinden!
’k Verscheen, maar Neęrlands tuin was al te schoon beplant;
Daar bleef geen handbreed gronds voor d’arbeid van mijn hand.
Den Vaderlijken God voor Heidnentroost verzaken;
En ’t Hollandsch steeds gezond, steeds ongewraakt verstand
Verruilen voor den waan van ’t domst en geestloost land.
’t Was weinig, ’t was gering, voor slaven neęrgebogen,
Van roovren uitgeschud, gevild, ja uitgezogen,
Te kwijnen, en in ’t stof te kruipen zonder eer,
Ontbloot van kracht, van hulp; van moed tot tegenweer.
’t Was weinig, zoo ge, ’t lijf gekneld in ijzren boeien,
Naar vreemden willekeur uw’ adem leerde vloeien,
Wierd zelfs de onschatbre glans van ’t oordeel niet gesmoord,
Voor ’t valsche glintwormlicht dat by den Nabuur gloort.
Heeft dan ’t verdwaasde Volk in meer dan twintig jaren
Van ramp, en woede, en schrik, en wee, en zielbezwaren,
Met vrijheid, rust, en schat, en stroomend burgerbloed,
Die lichtgeloovigheid niet duur genoeg geboet,
Die Helsche vonden eerde en op den throon dorst zetten,
En vreemde grillen koos voor Vaderlijke wetten?
Heeft nieuwigheid voor u een’ zoo verlokbren schijn,
Verdoolden? dronkt ge u dol aan zulken zwijmelwijn?
Ach! ’t is verzuurde draf, vervaat, en lang verworpen,
En vuigen zwijnen waard, die enkel modder slorpen.
Voor eeuwen droomde alreeds de nietigste Sofist
Van ’t onzijn van een’ God, van ’t werk van Priesterlist,
Van ’s menschen kindschen staat by ’t eerste menschenworden,
Van ’t dwalen zonder taal in onbeschaafde horden,
Van ’t eerst verzinnen van een Godheid, van een’ heer,
’t Volmaken van ’t Geslacht, en duizend zotheęn meer.
Maar grijze Aaloudheid loeg om zulke zinneloosheid;
Gy, juicht verbijsterd toe aan de arglist van de boosheid,
En neemt voor wijsheid, voor onfeilbre Godspraak aan,
Wat elk belachbaar is, die ’t ontuig kan verstaan.

   Neen, zoo u ’t harte trekt naar ware nieuwigheden,
’t Zij in ’t verbastren niet van inborst, hart, en reden;
’t Zij in de vordring op het Ouderlijke spoor!
Zet, zet hun pogingen met nieuwe poging door!
Doorwroet de Aaloudheid; zoekt in ’t ingewand der aarde
Naar blijk van ’t groot geheim dat de Almacht openbaarde.
Gaat de oudheid onzer aard uit vaste gronden na :
Voorziet haar naadrend eind, eer ze onder u verga.
Leert d’aart der taal, haar bron, haar werking, en vermogen,
(Nog zijn ze u onbekend) uit ’s menschen ziel betogen.
Aanbidt Gods wijsheid in de vatbaarheid voor ’t schoon.
Ontwikkelt, wat dit zij, in beeldvorm, taal, of toon.
Wreekt, wreekt de Dichtkunst van den waan dier Dwinglanden,
Die ’t ware Dichtervuur van uit onze eeuw verbanden,
Wien, Vreemdelingen met de Grieksche zanggodes,
Geen Schillers drekhoop walgt by ’t goud van Sofokles,
Die Klopstoks droomgebulk voor echte Heldenzangen,
En Hallers laf gezwets voor Godentaal ontfangen.
Leert, wat de Dichtkunst zij, en wat haar melody,
In zang of toonval niet, noch kleur of schildery,
Maar ook in de eedle kunst, verwaarloosd en verloren,
Die geen der Volken kent, hoe zeer by elk geboren,
De Bouwkunst; voor een ziel, die ’t ware schoon geniet,
Zoo treffende als zy-zelv, die heel ons hart gebiedt.
Leert, eindlijk, leert vooral de Wiskunst recht doorgronden.
Haar, Zielkunde in haar aart, aan maat noch tal verbonden,
Maar zelve onstoflijk, en het stoflijk veel te groot;
Die meer geheimen sluit in haar nog duistren schoot,
Dan de Archimeden, dan de Newtons nog vermoedden.
Leert, d’altijd zwakken geest niet overlaân, maar voeden.
Neemt ware kennis aan in ’t peilen van ’t verstand.
Breekt Wijsgeerstelsels af, maar bouwt ze niet, met Kant;
En stelt uw meening niet ten willekeur dier dwazen,
Wier scheppingskracht zich toont in ijdle waterblazen.
Zie daar het geen uw’ geest, uw’ ijver, waardig zij;
Waartoe mijn teęrheid u thands noodigt van naby.
Ach! hier der Wetenschap een nieuw bestaan te geven,
Die, wijd en zijd misvormd, en bloei verloor en leven;
Het graan te strooien in een’ vruchtbren, rijken grond,
Waar uit ik vrucht verwachtte in blijder avondstond
Dan ’t Lot my toelei’; dit in Hollands dierbre streken
Met stramme en matte hand voor ’t Nageslacht te kweken;
Te vormen, wie mijn werk waar ik bezwijken moest
Vervolgen mochten tot een’ zegenrijken oest :
Dit was mijn wensch, mijn zucht, mijn uitzicht, mijn verlangen,
Dit, zoeter voor mijn hart dan toegejuichte zangen!
Helaas! die hoop, dit doel, dit uitzicht, ging voorby :
Ik leef, en zonder nut voor Volk en Maatschappy ! —

   Is ’t wonder, zoo mijn ziel, zoo werkzaam steeds, zoo woelig, —
Voor weldoen, kennis, schoon, zoo eindloos fijn gevoelig, —
Zich, in de nietigheid van ’t lijdlijkst plantbestaan
Affoltrend, in ’t geweld der wanhoop moet vergaan?
Zoo wrijft de bloote steen, als graan en bast ontbreken,
Zich-zelv’ tot gruis, in vlam, door eigen kracht bezweken;
Zoo blaakt zich ’t vuur te niet, door eigen’ gloed verteerd;
Zoo, ’t rustloos werkend brein, van doel en werk geweerd.

   Maar neen! het was mijn lot, mijns levens doel te derven,
In uitgeblakerde asch vertwijflend weg te sterven,
Mijn Vrienden! ’t Moest zoo zijn; mijn laatste steun brak af :
Maar, wenscht my dan geluk, wanneer ik ruste in ’t graf.

Katwijk, 1808.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 9 oktober 1997