Willem Bilderdyk (1756-1831)

Afscheid uit ’s levens gastmaal.

On sortoit de la vie, ainsi qu d’un banquet,
Remerciant son hte et faisant son paquet.
   
—       L A   F O N T A I N E.

Het feestmaal loopt en eind; mijn tijd is ’t, af te trekken.
   Welaan, ik neem mijn’ hoed en mantel wel te vren.
Hy pruile, vindt hy ’t goed, en poge ’t uur te rekken,
Die lust heeft in ’t gewoel van halfbeschonken gekken;
   Mijn koets staat voor de deur, ik ga blijmoedig heen.

Doch Gastheer, ’k ben u eerst mijn dankerkentnis schuldig.
   Gy riept my tot uw’ disch : die gunst waardeer ik hoog.
’t Gezelschap was niet best; de kwelling, menigvuldig;
My plooien kon ik niet; mijn geest werd ongeduldig;
   Maar de orde van uw feest was heilig in mijn oog.

Licht dat mr ook van my niet beter zij te vreden!
   ’t Kan zijn : ik smeet van vreugd de roemers niet aan gruis!
’k Berispte uw koks somwijl (en, mooglijk, zonder reden);
En, stell’ men ’t op mijn lijst van eigenzinnigheden,
   In ’t midden van ’t vermaak verlangde ik steeds naar huis.

’k Zag ieder, vol van drift, naar lekkernyen tasten,
   En stak de hand niet uit, ja, wees ze, dankende, af,
En, uit dien overvloed, waar weelde en vreugd in brasten,
Was ’t voedzaam brood alleen, versmaad by andre gasten,
   Wat aan mijn eetlust stof, mijn’ smaak voldoening gaf.

Maar, moest dit mondvol brood my zoo veel tijds verslinden ! —
   Doch ja, de dag is om en ’k was hem u verplicht.
Gy eischt geen vrucht van ’t zaad dat wegstoof met de winden,
En, waar zich ’t zwetend paard aan ’t eind des wegs moog vinden,
   Wat vraagt het rede of nut van ’t geen het heeft verricht?

Genoeg, ik leg my ner, hoe min ik heb genoten,
   En hoe veel minder nog aan uw bestek voldaan!
De reekning, zoo zy ligt, moet (goed of kwaad) gesloten,
En durf ik voor my-zelv’mijns harten grond ontblooten :
   ’k Slaap niet dan siddrend in voor ’t uur van op te staan.

1807.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 oktober 1997