Willem Bilderdyk (1756-1831)

Grootmoeders klacht.

Wars van Grootmors tafelkruimelen,
Tuk, de wareld in te tuimelen,
   Vond WIFHAITSEN t’huis geen’ tier.
Op een’ eiken’ plank te lobberen
Op de baren rond te dobberen,
   ! Dit had een’ beter zwier!

t’Huis te muffen, t’huis te krentelen,
Koe en ploegstaart na te drentelen,
   Neen, dat leven heeft geen’ aart.
Ik zoek wilder avonturen,
Dan den drietal plat te schuren,
   Dan te droomen aan den haard.

Groote Pier waar glad vergeten,
Niemand zou er van hem weten,
   Had hy t’huis zijn’ brij geroerd.
Maar, door golf en zee te woelen
Vijanden den voet te spoelen,
   Heeft zijn’ naam ten top gevoerd.

’k Wil het zoet van schuimers schuimen,
’t Spaansch gespuis het ruim doen ruimen,
   En brageeren op den vloed.
Daar me zwaait de zee betemmer
Om zijn hoofd het blikkend lemmer,
   En de puimen om den hoed.

Grootjen zag hem op de baren
’t Vaderlijke strand ontvaren,
   En, gebloosd van heldenmoed,
Op den hoogen steven prijken,
Daar hy ’t land te rug zag wijken,
   Met den hollen afscheidsgroet.

Grootjen zag het (en ontroerde)
Hoe de wind hem henen voerde;
   En verstijfde waar zy stond,
Daar zy op den dijk geklommen
’t Land van baren zag omzwommen,
   En den afgrond in den mond.

WIF! (dus krmt zy) ach, waar heenen?
(De oever davert van haar stenen)
   Is het u te naauw op ’t land?
WIF! zoo moeder op mocht kijken,
Ach, hoe zou haar ’t hart bezwijken!
   Ach! zy keert zich om in ’t zand.

Gy, by ’t gapen van de golven,
Die er duizenden bedolven,
   Duizend zwolgen in haar’ schoot —
Omgesold door oosten en westen —
Gy de buik der visschen mesten,
   Die vast loeren op uw boot.

Opgeslingerd tot de wolken,
Nergesmakt in ’t diepst der kolken,
   Nu ten hemel, dan ter hell’,
Mag geen nagel zich verwrikken,
Of men heeft den dood te slikken,
   In den grondeloozen wel.

Daar, by ’t mast- en kabelkerven,
Zoo, gezond van hart, te sterven,
   Voor den avond van zijn’ dag!
Daar, als schrik en doodangst nijpen,
Slechts een’ plank in d’arm te grijpen,
   Diet tot sterfbed strekken mag!

Wat jammer, wat ellende!
Wat rampzalig levensende!
   WIF, en gy — gy vreest het niet?
Zie dan wat ge my doet lijden!
Zie wat messen my doorsnijden,
   Die voor u het leven liet!

Noch getroostte ik ’t my, en duldde,
Schoon de stormwind om u brulde,
   (Brengt uw heil, uw lot dit me)
Toogt ge slechts ter koopvaardye;
Maar wat woeste razernye,
   Drijt u waar men vecht op zee?

Waar men niet een’ stap kan deinzen,
Schoon de dood u aan moog greinzen;
   Waar de wanhoop knarstandt;
Schip en manschap in het honderd
In n wenk ten afgrond dondert,
   Door zijn eigen lont verbrand.

Zoeter waar het in de weide;
Met schaapjens op de heide;
   Met de meisjens aan den trant.
Zoeter, fuiken uit te zetten,
Wild te lokken in zijn netten,
   Aan de geest of waterkant.

Veld en moeskruidtuin te sproeien,
Laan en boomgaardhout te snoeien;
   Dat heet leven, liefste kind,
Jongen, keer tot veld en kudden ! —
Maar gy staat het hoofd te schudden,
   En ik praat slechts in den wind.

Wel dan! zeil in ’s hemels hoede!
Strekk’ de zeetocht u ten goede!
   Ik beveel u in Gods hand.
Stuur Hy u uit waterbaren,
Zee- en klip- en strandgevaren,
   Door zijn’ Engel blij aan land!

Dus, dus sprak met schreiende oogen,
Op haar krukjen nergebogen,
   De arme Best met schor geluid :
En, een luttel nergezeten,
Neen, ik kan het niet vegeten,
   Riep zy hikkend, snikkend uit.

WIF ontvlucht my! WIF ontvaart my!
Hemel, ach! wat angst bezwaart my,
   Daar hy op de diepte plascht,
Waar de visch der zuiderstranden
’t Water uit zijn ingewanden
   Over zeilen blaast en mast.

Al mijn leden trillen, beven,
Als ik nadenk hoe zy zweven,
   Tuimlend in het golfgeklots,
Dat en mast en stevens splijten,
Kielen van elkar kan rijten,
   Of verpletten op de rots.

Daar de nood voor ’t veege leven
Schip en lading prijs doet geven;
   Daar men op een dregtouw rijdt;
Nederploft op harde zanden;
Of te barsten stoot in ’t stranden;
   En n dood tiendubbeld lijdt!

Hemel! kan men ’t waarheid houn:
Die de dood zoo na aanschouwen,
   Dien zy in de ooren greeuwt,
Wen het schuimend golvenbraken
Tot de starren schijnt te raken,
   En den donder overschreeuwt :

Die dan weder wind en baren
Op Gods wenken zien bedaren
   En gemuilband door zijn kracht :
Aan de dood haar buit ontwringen;
Vaartuig, schat, en schepelingen
   Aan behouden re gebracht :

Die de lof dier Almacht zongen,
Die den afgrond had bedwongen,
   Tot verzwelging reeds gereed!
Kan men (zeg ik) waarheid houden,
Dat, van hun, die dit aanschouwden,
   Iemand ooit zijn’ God vergeet?

Dat die ooit als woeste dieren,
Dol, brooddronken, zouden tieren;
   Moedwil drijven? zwelgery?
Rust en vre en orde schenden,
Of zy God noch wetten kenden,
   In vervloekte razerny?

Ach, dat tochtig vee vol woede,
Dat Gods gramschap tart en roede,
   Roept Hy, als verdoolden, wer.
Ja, als afgedwaalde lammeren,
Die zijn weldoend harte jammeren,
   Altijd vader, altijd ter.

God! zie neder op ijn smarte;
En, zoo Ooit mijn zuchtend harte
   Vurig tot uw Almacht riep!
Leer, leer mijn’ WIF beseffen,
’t Harte tot U op te heffen,
   Als hy werkeert van het diep.

     Vrij gevolgd naar
Tjesck-Moars see-aengste
   van GIJSBERT JAPIX.

      1807.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 4 oktober 1997