Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan den Heer Jeronimo de Vries, in zijn’ vriendenrol.

Wat vormt gy, waardige De Vries,
Op Dicht en Vriendschap even kiesch,
Een Vrienden- of een Dichtrenrol?
Ach, geen’ van beide krijgt gy vol.
Waar vindt uw kunstmin n’ Homeer
Wiens zang zijn’ eernaam niet onteer’?
Of waar uw hart n Pylades,
Die niet verbleek’ voor ’t offermes?
Ach! niets dat proef houdt in eene eeuw,
Verliefd op waanziek volksgeschreeuw,
Onvatbaar voor dat echte schoon
Dat stervelingen heft tot Gon,
En zonder eerbied of ontzag
Voor d’adel van den ouden dag.
Gy, roem en luister van uw’ tijd,
Die wijsgeer, vriend, en kenner zijt!
Gy, die voor kunst en vaderland,
Voor menschlijkheid en weldoen brandt!
Hou (vergeef mijn rondheid dit!)
Uw hart en blaadjens even wit,
En duld er indruk in noch naam,
Waar over zich uw rechtheid schaam!
Doch wie, als halsvriend, of Poet,
In dezen bondel plaats bekleed’,
Voor ’t minste vordert niet van my
Dat ik my stell’ in zulk een rij.
Ja, ’k ben niet laauw voor band en plicht,
Mijn boezem ademt deugd en Dicht,
En ’k heb voor ’t geen ge voor my deedt
Mijn laatste droppel bloed gereed :
Maar bloed en adem schiet te kort
Waar kunst of daad gevorderd wordt,
En wat, wat ben ik op dit pas?
Een handvol uitgeblakerde asch ! —
In ’t hart een zucht, in ’t oog een traan,
Mag die voor dankbaarheid volstaan,
En is het edel vriendschapsrecht
Aan eenheid van gevoel gehecht,
Dan boog ik, ja, uw vriend te zijn,
En warmer slaat geen hart dan ’t mijn.
Maar Dichtkunst, smaak, verlichte geest?
Maar kracht — ! De Vries, ik ben geweest.

      1807.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 7 oktober 1997