Willem Bilderdyk (1756-1831)

By den dood van mijn Jongste Zoontjen.

Il piano steffo li pianger non lascia.
                               —   D A N T E.

Thands niet verr’van u, mijn waarde; msst in uwen arm gekneld,
Zwelgt mijn hart te zilte tranen, van wier stroom mijn boezem welt.
Zwelgt het uw en mijne tranen : tranen, aan geen oog ontplascht,
Waar een ’t peil ontwassen droefheid in verademt, in ontlast!
Neen, maar tranen van den boezem die in de overstelping stikt,
En met onbevochtigde oogen naar den hollen doodstuip snikt!
Thands, van uwen arm omvangen…! Dierbare, ach, dezelfde smart,
De eigen pijl doorgrieft ons beiden, ja, doorreeg ons beider hart.
Siddrend, en den zinnen bijster, slaan wy ’t stijf en starrend oog
Op elkanders bleeke wangen — en wy zien die wangen droog!
Wat schouwspel, mijn Geliefde! wat gezicht vol aaklighen!
’t Wicht verstijft u in die armen! ik. in d’eigen arm, versteen!
Ach! wat riep ik uit, verdwaasde, by een vroeger harteslag
Zalig, die zijn Vadertranen met een Eg mengen mag!
Thands vermag ik ’t, en geen afstand weigert ons die ijdle troost!
Vliet thands, tranen, kunt gy vlieten! vliet vereenigd op ons kroost!

   Hemel! hemel, zoo weldadig! dit is dan uw dierbre gift!
Gift, zoo vurig afgebeden, en omhelsd met zoo veel drift!
Dit is ’t wichtjen, zoo bekoorlijk, daar ons diepgegriefd gemoed
Twee paar wreed verloren wichtjens zich zoo blijd in zag vergoed!
Dit, dit wichtjen, zoo aanvallig, in wiens hemelvollen lach,
’t Oudrenhart deze aard verdwijnen, en een Eden open zag!
In wiens zieldoorstralend lonkjen ’t lief en schuldloos zieltjen sprak,
Als ’t teedre rozenmondjen naar ons beider kusjens stak!
Wiens aanvallig zoet gekozel ons geheel het hart ontsloot,
Als zijn minlijk handendrukjen ons den blijden morgen bood!
Morgen, die ons hart vervulde met den zegen van ons lot!
Morgen, thands voor eeuwig duister — ! zonder hemel, zonder God!
Hemel!, hemel, zoo weldadig…! ach! ik weet dat gy het zijt;
Maar kan dit een Vader voelen, wien de vlijm het hart doorrijt!

   ’k Moest dan hieruit verre streken, uit een afgelegen Volk,
’k Moest dan hier door woeste baren, over stroom en waterkolk,
’k Moest dan hier het zand gaan zoeken dat uw lijkjen dekken mocht!
Hier uw asch een graf ontsluiten, was dan alles wat ik zocht!
’t Moest mijn Vaderland hervinden om te sterven io uw graf!
’t Was uw doodkist, dierbaar wichtjen, dat dit Vaderland my gaf!
’t Was uw doodkist — ! Groote hemel! Vergeef eens Vaders hart,
Wat het opwerp’, wat het smoore, in de wanhoop van zijn smart!

   Leyden, onzalig Leijden, waar mijn boezem zoo naar trok!
Waar ik enkel zielrust hoopte, na zoo menig’ harteschok!
Waar mijn borst zich zou herhalen van haar eindeloos gezucht,
En mijn wallend bloed zich koelen in eene onberoerde lucht!
’t Is uw schoot dan, dierbaar Leyden, die mijn wichtjens asch verslindt!
Niets, niets zoch ik in uw wallen dan de doodbaar van mijn kind!
Hemel! hemel, zoo weldadig! Gy die heil en rampen zendt!
Moet my elke voetstap voeren tot vernieuwing van elland?
Moet ik land by land doorkruisen, zonder uitzicht, zonder troost,
Om heel de aarde te overspreiden met de lijkjens van mijn kroost!

   Dierbaar wichtjen, thands het tiende, dat my ’s aardrijks schoot bewaart,
(Ach, hoe luttel, goede hemel, heeft uw deernis my gespaard!)
Dierbaar wichtjen, meer dan allen vastgeklonken aan mijn ziel!
Dierbaar wichtjen, waar my alles, alle vreugde, me ontviel!
Dierbaar wichtjen, boven allen die het gruwzaam lot my nam,
My ten kenmerk van Gods zegen op de terste huwlijksvlam!
Ach, daar ligt gy, nergezegen, als een platgereden blom!
Daar, het vonkjen uitgetreden, waar uw hemels oog van glom!
Wek het bloemtjen, doe het rijzen, windtjen van den morgenstond!
Blaas het leven wer in ’t vonkjen met den adem van uw’ mond!
Geef ons ’t leven in het leven met de lust des levens wer!
Of, hemel, stort den vader by zijn zielloos wichtjen ner!

    Mijn boezem! kost gy schreien! Neen, gy kunt het niet, neen!
Krijt dan! krijt, en dring’ dit krijten door de verste stranden heen!
Krijt, en gil de holle wanden en hun doffen wergalm stom!
Krijt, en doe den klaagtoon zwijgen van het doodsche grafgebrom!
Zullen wand en doodklok treuren als van uwen rouw geroerd,
Gy versteenen, gy verharden, daar uw hart u wordt ontvoerd!
Wie kan wat gy uitstaat voelen? wie, gevoelen en werstaan!
Wie werstaan, en tot den hemel geen verwijten op doen gaan!
Wie het onbescheid niet vloeken, dat geweld doet aan Natuur
En het bloeden wil verbieden aan de diepe hartkwetsuur!

   Krijt dan, ja! en help my krijten, mijn dierbare Echtgenoot!
Ach, dat stil, dat starziend zwijgen is my wreeder dan de dood.
Geef, Geliefde, geef een’ uittocht aan het hartverworgend leed!
Sla uw’ boezem, wring de handen, noem, ja, noem den hemel wreed!
Ja, verwensch ons-beider liefde, oorzaak van dat gruwzaam wee!
Vloek onze Echttoorts, vloek my-zelven die u liefde kennen de!
Zoeter zal die vloek my wezen van uw diepgetroffen hart
Dan dit zwijgend nederzinken, in eene onoplosbre smart.

   Lieve, druk u aan mijn’ boezem! in des harten Wel verstopt,
Snik naar adem, hijg naar lichtnis! voel hoe ’t siddrend bloed my klopt!
Herroepe ’t u aan ’t leven, dat gy hebt bemind om my!
Bemin het nog, mijn Waarde; ja, hoe wreed het leven zij!
Bemin het om het telgjen, ’t eenigst dat voor ons nog bloeit!
Voel de tranen op uw wangen, daar zijn oog u me besproeit!
Voel de kusjens, die zijn mondtjen tusschen u en my verdeelt!
Voel ons-beider ziel vereenigd in ons beider evenbeeld!
Reik en hem en my de handen tot een blijk van teedre min!
En barst uit, mijn Zielsgeliefde; hoe uw doodsche smart niet in!

   Gy bekoomt dan, lieve Gade! ach! ik voel uw hart wer slaan.
Hijg, boezem, aan den mijnen! — Maar wat zie ik? ach, een’ traan!
Dank, hemel, voor dat traantjen! mijn lippen, kust het af!
Maar, neen, het eischt te vlieten op des lieven zuiglings graf.
Vliete ’t, ja, en onbedwongen! geve ’t aan uw smarten lucht!
Geve ’t doortocht aan den boezem voor een’ Moederlijken zucht!
Ach, daar welt hy, zoo weldadig! hy, die zucht die ’t hart ontlast;
En de stroom begint te groeien, die de wangen overplascht.

   Schrei, mijn Werhelft, spaar geen tranen! die tranen zijn u zoet,
Wel hem, die ze mag vergieten als de rouw ze stijgen doet!
Smaak hun lichtnis, lieve Gade! Smaak haar, thands ons eenig kroost,
Dat, en met en om ons schreiend, ons uw tranen plengt ten troost!
Schreit, en wekt ook my die tranen, die my ’t schroevend leed misgunt!
Doe my schreien van genoegen, dat gy weder schreien kunt!

   Ja, ik kan het, ik gevoel het! ja, mijn borst breekt snikkende uit.
Vloeit, mijne oogen! vloeit als stroomen, wee hem, die uw vlieten stuit!
Ja, betalen wy die schatting aan den noodeisch der Natuur!
Gy, heb dank voor deze tranen, immerweldoend Albestuur!

   Immer weldoend! — Heilig Vader, gy die geeft en ook herneemt!
Vergeef het menschlijk harte, met uw raadsbesluiten vreemd!
Vergeef het, zoo ’t onzinnig, zoo ’t werspannig zich verzet!
Zoo ’t verwijt en wrevel ademt voor de klaagstem van ’t gebed!
Ach! het harte van een’ vader — God : gy kent, gy ziet het door!
Waar, waar is hy, die zijn kinders, en zijn reden niet verloor?

   Immer weldoend! — wat is leven, zoo de dood een weldaad is?
Wat bezitten, zoo er weldaad is verbonden aan ’t gemis?
Mijn ziel, sluit uwe oogen! leer dit Godsgeheim ontzien!
Dood en leven zijn uw weldaad, Vader, laat uw wil geschin!

   Dierbaar, van mijn hart gereten, lief, en onvergeetbaar wicht!
’k Moet u ’s aardrijks schoot hergeven! wat ontzettelijke plicht!
Plicht, die ’t lijdend Vaderharte, dat naar zijne ontbinding smacht,
Van zijn tweetal lieve loten met zoo’n wellust had verwacht!
’k Moet, — en, uitgedreven balling, vreemd in eigen Vaderland,
Waar, waar berg ik u in de aarde, u, mijn hart, mijn ingewand!
Balling, ach! en zelfs geplonderd van mijn erflijk grafgesteent’,
Mag ik u geen rustplaats schenken by voorvaderlijk gebeent’.
Schokt niet, ouderlijke beenders, staat niet op om dezen smaad,
Zoo het stof van uwe kinders verre van uw stof vergaat!
Is uw grafkuil ons gesloten, ga, mijn tergeliefde kind,
Ga ter rust (ik zal u volgen) by uws vaders diersten vrind. —
Gy, die steeds voor mij een vader, een terhartig vader waart,
En wiens oogen nog te sluiten voor mijn werkomst was bespaard,
Gy, Halsvrind, wien mijn voeten wagglend leiden naar uw graf,
Zie, zie op! een deel uws hartvriends daalt reeds in uw armen af.
Ontfange ’t met uw beenders haast het nietig overschot,
Als my ’t uur der rust zal dagen, dat bestemd is van mijn’ God!

   Lieve Heiland, die ons leven en ons sterven hebt beproefd!
Die den mensch hebt aangetogen, en eens Engels troost behoefd!
Gy, gy hebt de kleine wichtjens van uw knin niet belet,
Gy, gy zegende in uw armen dezen zegen van het bed!
Gy, gy hebt hem aangenomen tot uw eigendom en kroost!
Mijn Alexis, ja, was de uwe! Lieve Jezus, dit geeft troost.

   Teedre Werhelft, wees gelaten! leg uw handen in mijn hand!
Vlechten we onzer beider armen om ons thands nog eenig pand.
Hy, hy is onze eerste zegen, hem vroeg de Almacht niet werom!
Hy getuigt ons van Gods liefde. — Kom, mijn levens leven, kom ! —
Bin wy Jezus d’ons ontrukte, schreiend, ja, maar willig aan!
Hem als hemeling te groeten, verdient dat niet een’ traan?
Hem, na ’t doorgeworsteld leven, met geheel een Englen stoet,
Uit uw’ zuivren schoot geboren, voortgesproten uit mijn bloed,
Hem, hem alleen wer te omhelzen in de volheid van Gods heil — !
Lieve Gade, deze wellust is voor niets dan tranen veil.
Dierbre Gol,.ja, wy voelen, wy erkennen die gen;
Sla ons met ontfermende oogen, sla ons in dees droefheid g!
Gun, gun dit oovrig telgjen beider vurigen geben!
Gun ons, hem (genadig Heiland) in uw’ hemel voor te tren!
Voor te treden! Lieve Jezus! waar zijn heil, zijn erfdeel zij!
Meer dan dit voor hem te vragen laat ons ’t Ouderhart niet vrij.
Eer of schatten, aardsche wijsheid, waar het hart zich op verheft — !
Neen, zij needrigheid zijn luister, zy, die grootheid overtreft!
Gy, gy zult hen niet begeven, die uw bloed geigend heeft.
Gy geeft nooddruft, gy verzading, wie op uw betrouwen leeft.
Alles heeft hy, dierbre Heiland, die uw liefde slechts bezit!
Schenk haar aan ons eenig knaapjen, en hy hebb’ nooit ander wit!
Geef ons uit zijn jonge lenden spruiten tot dien schoonen dag,
Die uwe Almacht op de wolken als Hersteller groeten mag!
En, behaagt het u, Vader, gy die neemt en ook hergeeft!
Troost ons weder met een telgjen, waar Alexis in herleeft!

      1806.


Aantekeningen van de Dichter:

mijn waarde Zie het Lijkvers op mijn Zoontjen in de door mij uitgegeven POZY.
een terhartig vader Dr. J. VERSCHUUR, kort te voren hier in Leyden overleden.

E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 7 oktober 1997