Willem Bilderdyk (1756-1831)

Leyden in verwoesting.

L I E R Z A N G.

Wat klinkt ge, Cythers? Rukt uw snaren,
Rukt, rukt ze aan flenters af, en berst!
Rijt, handen, rijt, rijt uit, de hairen!
Knerst, tanden, knerst van wanhoop! knerst!
Hier, zuchten? hemel! tranen plengen?
Hier, weeklacht aan den donder mengen,
Die Leyden op ons hoofd vergruist?
Hier weenen — ? Ja, het bloed uit de aÔren!
Dit stroom’ en bruisch’ met ziŕnde baren
Door ’t golvend vuur dat om ons bruischt!

Genadig God! wat ijslijk kraken! —
Wat loeien borst daar door de lucht! —
Verzwolg dan de afgrond muur en daken? —
Waar zijn we, waar? En waar gevlucht? —
Gevlucht — ! Helaas! En wat gevloden? —
Ontwaakt hier de ontslapen dooden
En slaat ons ’t vreeslijk uur der wraak? —
Ja, ’t aardrijk beeft — ˘ God, genade! —
Mijn kind, omarm my! gy, mijn Gade!
’t Is Jezus rechtstoel, hy genaak!

Maar neen, wat dampen! ˘ mijne oogen,
Neen, de afgrond spuwt den hemel aan.
Zie ’t al van sulferrook betogen,
Neen, ’t is geen jongst, geen Aardvergaan!
Maar gy, waar zijt gy, dierbaar Leyden? —
Wat zie ik om my? vlakten? heiden?
Uw’ luister in den grond getrapt?
Wat Helgeest, aan zijn’ boei ontsloten,
Wiens voet uw muren omgesloten,
Wiens vuist uw’ naam heeft uitgeschrapt?

Hoe! boet na derdhalfhonderd jaren
De schim van Valdez hier zijn’ wrok?
My dunkt, ik zie — ik zie hem ware,
Hy schudt uw tempels en pylaren!
Hy dreigt u nog met Spanjes jok!
Geen drommen woedende Maranen
Omstuwen hier zijn legervanen,
Maar duivlen uit des afgronds kluis.
Ik zie hem maar met reuzenleden,
Uw woningen te mortel treden,
En vlammen blazen door het gruis!

Zijn hand voert Oorlogstaf noch degen,
Maar donders, brandende in zijn vuist.
Die storten, als een zomerregen
Op bladers daar de wind in zuist. —
Het blaakt! — Wat nieuwe rij van schimmen,
Die naast hem, uit dien aardscheur klimmen!
De vuurgloed straalt hun aanschijn rood!
’t Is Alva! ’t zijn zijn lijfstaffieren!
Zy juichen door ’t geknak der vieren,
En aÔmen hel, verwoesting, dood!

Gerechte God! wat schrikvertooning! —
Bestelpt; verplet! verstikt in ’t bloed!
Verguisd in de omgestorte woning;
En brandende in hun haardsteŕgloed!
Onredbren! — hooft en borst gespleten — !
Ach! zwangren ’t lichaam opgereten.
En vruchtjens in den schoot vernield! —
Juich, Alva, Ja! dit ’s harteweelde!
Zoo dit geens Alvaas boezem streelde,
De ziel waar met het lijf ontzield.

˘ Jammer! ˘ vereenigd kermen,
Van uit dees puinhoop opgegaan!
Ja, reikt ten hemel, stervende armen!
Die kreet moet God voor ’t voorhoofd slaan. —
Hy hoort — wat zou de Hel vermogen!
Ach! nacht en schimmen zijn vervlogen!
Hy spreekt, Zijn reddende Engel daalt!
Zie, zie hem, ˘ wanhopig Leyden,
Uw’ Koning by de hand geleiden;
Uw’ Koning, van Zijn’ glans omstraald!

˘ Lodewijk, gy koomt — en treuren……?
Neen dit verbiedt uw edel hart.
Neen, wat de boezems moog verscheuren,
Ons aller weedom is uw smart.
Ach! balsem giet zy in de wonden,
En, even of zy heelen konden.
De dank verdooft hun diepst gevoel.
Ja, red ons, red met eigen handen!
Hergeef ons onze waardste panden!
Dit steengruis zij uw gloriestoel!

Gan, richt op deze ontvolkte velden,
Thands onafmeetbaar voor het oog,
Gy, wieg der vaderlijke helden;
Die Holland eens aan ’t juk onttoog!
Richt hier een zuil van eeuwig marmer
Ten roem, aan uw’ en ’s Lands Ontfermer,
Ter eer’ aan ’t werktuig in Zijn hand:
AAN GOD, DEN DWANG- EN OPROERVELLER,
AAN LODEWIJK DEN STADHERSTELLER,
DANKT LEYDEN ZICH EN ’T VADERLAND.

      1808.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 4 oktober 1997