Minerve vond de veldfluit uit,
En speelde t eerste lied,
Aan doever van Permessus vliet
Gebukt in t jeugdig kruid.
De boschgoôn sluipen op den klank
Bedeesd en luistrend aan,
En laten kruik en druivendrank
Voor deze wellust staan.
Wat zong zy? Van den bergsneeuwleeuw
Dien Herkules verwon;
En hoe hy by een meisjen spon,
Hy, monsterschrik der eeuw!
Het spinrad snorde door haar zang,
En gonsde na in t oor;
En t kusgeklap op mond en wang
Klonk somtijds dwars daar door.
Nu ving zy van de wildbaan aan
En zong Dianes stoet.
Men hoorde t kraken van den voet
Door de afgeworpen blaân.
De pijlen rammlen door t gerucht;
De boogstreng krakt en drilt;
De schicht vliegt schuilend door de lucht;
De bloedstroom ruischt om t wind.
Het mastbosch staat van rondom stom,
En wordt niet hoorens moê :
Het windtjen plooit zijn vlerkjens toe,
En speelt met blad en blom.
Maar de Echo vangt een toontjen op,
En alles vliegt in roer :
Nu hupplen veld en heuveltop,
Met schaterend rumoer.
» Iö, wat kinkt die zangtoon schoon!
» Zie daar den rechten trant!
» Dit klatert over bosch en land!
» Dit laatste spant de kroon!
» Dier weêrklank daar, van ha, ha, ha!
» Die treft en hart en zin!
» Minerva speelt bevallig, ja;
» Maar de Echo doet niet min. »
Minerve, die een blos kreeg, zweeg,
Nam t fluitjen van den mond,
En wierp het lachende op den grond,
Terwijl zij de oogleên neeg.
Zy zet den voet op t piepend riet,
En trapt den halm in tweên :
» Zing, Echo, zing uw eigen lied ! »
En ijlings vloog zy heen.
1807.
Ingezonden: 6 oktober 1997