Willem Bilderdyk (1756-1831)

Nietigheid.

Schreien, schreien? altijd schreien ? —
Neen, de tranen afgedroogd!
Op het naderend verscheiÍn
Met geloovig hart geoogd!

Al de kwalen dezer aarde,
Waar die tranenbron uit vliet,
Halen toch in kracht en waarde,
By des hemels wellust niet.

En wat zijn toch tegenspoeden ? —
Dorens, zegt gy, vol van smart. —
Ja, zy doen de voeten bloeden;
Maar dat bloed verlicht het hart.

Wat zijn uiterllijke rampen,
Hoe benaauwend voor ’t gemoed? —
Dampen zijn het, bloote dampen,
Die de zon verdwijnen doet.

Wat zijn ’s lichaams wreedste plagen ? —
Droom verschijnsels buiten ons,
Die verdwijnen met het dagen,
Of ons wekken uit het dons.

Wat is laster ? — Winde der lippen.
Hoon ? — Een spatjen slijkrige aard,
Dat men afschudt van zijn slippen;
Niet het minst misnoegen waard.

Wat ’s verdrukking of versmading ? —
Onbekend zijn wat men is.
Wat behoeftigheid ? — Verzading
Aan een’ min voorzienen disch.

En dit alles zal ons kwellen ? —
Lieve Christen, zijn wy wijs!
Is, voor ons, belang te stellen
Buiten Jezus Paradijs?

Neen! in God is ’t, dat wy hopen,
Daar ons hart is, onze schat.
Die de Wareld heeft doorkropen,
Weet hoe weinig zy bevat.

      1807.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 oktober 1997