Willem Bilderdyk (1756-1831)

Stervenszucht.

’k Heb dan eens een uurtjen rust.
Wat sombre hartelust
   Maakt zich meester van mijn zinnen!
’k Sta hier op den rand van ’t graf:
Morgen werpt de dag my af!
    Morgen, ja, de haven binnen !

Heeft mijn ziel dit wel verstaan?
Ze my dit een ijdel waan;
   Of een voorgevoel van sneven?
Lieve God, blijf my by,
Wat gy raadsloegt over my,
   Zy aan u-alleen verbleven!

Immer voert me een zoete hoop
Naar den eindpaal van mijn’ loop :
   Immer toef ik op dat morgen.
Maar dat morgen, zoo verlangd,
Daar geheel mijn hart aan hangt,
   Is in Uwen raad verborgen.

Waarom, waarom met geduld
Mijn bestemming niet vervuld?
   Waarom dus naar ’t lot gegrabbeld ? —
Zucht naar ’t uiteind van zijn smart
Tergt en tokkelt aan mijn hart,
   Als de vlam aan ’t haardhout knabbelt.

Ach, mijn God! ik heb geleefd
’k Heb door leed en nood gestreefd,
   Moedig, vurig, onverschrokken.
Maar waar vond ik, God,
Ooit een’ oogwenk zielsgenot
   Dat mijn’ boezem mocht verlokken

Leven ? wat valt dat bang.
Zelfs by weeldes tooverzang!
   Zelfs in wellusts troetlende armen!
Leven is geen leven, neen.
’t Is een schaduw hier benen;
   ’t Is, in ’t hart versmoorend kermen.

Zalig, wien zijn laatste dag
’t Hoofd ten doodslaap buigen mag!
   Zalig, ’t rusten van zijn werken!
Lieflijk kleppert aan en af
’t Avondwindtjen over ’t graf,
   En verkoelt het met zijn vlerken.

’t Morgenroosjen, mo en mat,
Laat haar saamgekrompen blad
   Op den dorren wortel vallen.
’t Veldkruid, van den middag flaauw,
Hijgt naar frisschen avonddauw;
   ’t Loeiend vee naar luwe stallen.

Ik, mijn God, verlang als zy.
Plantjen in dees woesteny,
   Schaars verkwikt door malschen regen,
Buig ik op mijn’ dorren steel :
Runddier in het ploeggareel,
   Schrei ik d’avondschemer tegen.

Runddier (nnen!) dat niet meer ploegt,
Maar op d’akker afgezwoegd,
   Knikkend nerzeeg in de voren,
Brandend naar den dronk versmacht,
Die hem in de toekomst wacht :
   En, wiens loeien Gy wilt hooren!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 oktober 1997