Willem Bilderdyk (1756-1831)

Ter uitvaart van mijn Jongste Kind, drie maanden oud.

Ontwikkeld deeltjen van my-zelven,
   Beminlijk, dierbaar kind — vaarwel!
   Dus wil ’t onwraakbre Godsbestel,
Ook u moest ik den grafkuil delven.
   Welaan, ontfang mijn’ laatsten plicht!
   Vaarwel, vaarwel! hy is verricht!

Ik heb u met betraande wangen,
    Jongst, tederst liefdepand,
   Uit moeders scheurend ingewand
Op sidderenden arm ontfangen:
   Mijn’ eersten plicht, by al mijn smart,
   Betaalde ’t dankend Vaderhart.

Ik heb u ’t zoenbad opgedragen,
   Dat kinders wascht van oudrenschuld.
   Zie daar mijn’ tweeden plicht vervuld.
Wat bleef den Grijzaart meer te vragen,
   Ten zij hy u aan ’t vroege graf
   Met tranen wiesch en overgaf!

Maar ach! waar berg ik u in de aarde?
   Helaas, geen ouderlijk gebeent’
   Ontfangt u in het grafgesteent’,
Waar eeuw aan eeuw hun asch vergarde;
   Maar, vreemdling in uw Vaderland,
   Bedekt u vreemd, gebedeld zand.

’t Waar weinig, uit bezit gestoten
   Van erf, en haaf, en eigen zweet,
   Te sterven aan onheelbaar leed,
Van huis en haardste uitgesloten :
   Maar neen, de moedwil rooft op ’t snoodst,
   Het stof der ouders aan hun kroost.

Doch rust! Met wien uw asch zich mengen,
   By wie uw lijkjen moog vergaan;
   Een nieuwe dageraad breekt aan;
En de ochtend zal ons wederbrengen,
   Waar ’t Godgetrouwe Voorgeslacht
   Zijn Nakroost in zijne armen wacht.

Ligt de aarde met mijne ingewanden
   Van Oost tot Westen overspreid?
   Wy vreezen geen vergetelheid :
Gods Engel kent u, dierbre panden!
   Zijn oogen slaan uw rustkoets g,
   In alle hoeken even na.

Ja rust, mijn telgjen! Wees vrij balling
   Van ’t Oudvoorvaderlijke graf!
   Uw rust hangt van geen slaapste af.
Geen lastdiers kreb, geen beestenstalling
   Heeft jezus kindsheid-zelv veracht,
   Daar ’t knielend Oost hem wierook bracht.

Dan , wat lachend aangezichtjen,
   Wat roosjen op uw bleeke koon,
   Wat trekkend, wat aandoenlijk schoon
Belonkt me in ’t afscheid dus, mijn wichtjen;
   Als lachtet gy, der wareld mo,
   De u toebereide grafplaats toe!

Ach! zou uw zieltjen reeds gevoelen
   Hoe veel het by dit sterven wint?
   Gewis, gy doet het, ja mijn kind!
Gy hebt genoeg van ’t aardsche woelen.
   Gy zaagt uwe Ouders — hoeft er meer,
   Op dat men de aard vervloeken leer’!

Ook gy, wat hebt gy, dan geleden,
   Daar alles, alles om u heen,
   Versmolt in rusteloos geween,
Verpletterd lag door tegenheden;
   En zelfs geen lach u ’t welkom bood
   Uit de opgereten moederschoot.

Ja, dierbaar wichtjen, dit is leven!
   Dit heet, op de aard, en mensch te zijn!
   Vergaan in ziels- en lichaamspijn!
Dit had een Vader u gegeven.
   Maar dierbre — tot geen’ andren prijs
   Verkrijgt men ’t eeuwig Paradijs.

God, wat moet uw hemel wezen,
   Indien hy zoo veel smart vergoedt,
   Als hier de oprechte lijden moet —
Maar neen (uw Goedheid zij geprezen!) —
   Als schepslenwaan, uit hoogmoed blind,
   Zich hier in ’t aardsch lijden vindt.

Ja, onbegrijpbre bron van goedheid,
   Miskennen we uwe weldan niet!
   Ach! aardsche wellust heeft verdriet;
En ’t aardsche lijden heeft ook zoetheid.
   Die U in ’t goed en ’t kwaad erkent,
   Zij dankbaar, wat uw wijsheid zendt.

Die echter beiden af mocht smeeken……!
    God, wat voorrecht zoo men ’t mocht ! —
   Een rasvolbrachte hemeltocht!
Zaligheid niet uit te spreken ! —
   Ga, spruitjen, ga ter zielrust in!
   Mijn rouw is enkel wrevelzin.

Ja, ga, en neem van Vaders lippen
   Dit laatste kusjen! neen, nog dit!
   Hy leeft, die voor uw onschuld bidt.
Duikt neder, smart en wanbegrippen!
   Duikt, ouderzucht en menschlijkheid;
   Of — schreit van vreugde, zoo gy schreit!

Vaarwel tot de aanbraak van dien morgen,
   Die zaad en oorsprong wer vereent!
   Vaarwel, voor ’t jongst! Genoeg geweend!
Het lijk in ’s aardrijks schoot geborgen,
   En Gode dank gebracht en lof,
   Die Englen wekt uit nietig stof!

Vaarwel, nog eens! mijn Adelheide!
   Vaarwel Irene! rust in vre!
   In u hervond ik deze twee,
En andermaal begraaf ik beide!
   Ga, telgjen, neem voor alle twee
   Dees vaderlijken kus nog me!

Neen, breekt niet op, tiental wonden,
   By ’t treffen van dees nieuwen slag!
   Wy naadren aan den blijden dag,
Dat alle weedom werd verbonden.
   Ga, dierbaar spruitjen, ga ter rust :
   Thands heb ik u voor ’t laatst gekust.

Gy, Almacht, die by ’t hardst beproeven
   Den traan tot lichtnis schonkt der smart,
   Ontfang dit offer van ons hart!
Wy brengen ’t U bedrukte droeven.
   Ach! eenmaal schenkt Ge ’t ons werom :
   Wy zwijgen, overdwelmd en stom.

      1807.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 8 oktober 1997