Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan de Joden

’k Bemin, ik acht u, ja, Geslacht van Abraham
Dat uw Verlosser wacht uit Konings Davids stam!
Gy zijt uw God getrouw die ge aanbidt. Is uw’ oogen
De blinddoek die ze dekt, niet t’eenemaal onttogen;
Verwacht ge Hem die kwam: — rust Gods ontzachbre wraak
Op u, vernederd volk, het Heidendom ten baak; —
De zegen is uit u, en zal u wederkeeren:
Gy zult wien ge eens verwierpt, als uw Verlosser eeren.
Hem (’t alvoldoende en alverzoenend Offerlam,)
Die needrig uwe zonde en de onzen op zich nam;
Voor onze en uwe schuld verbloedde, en in den hoogen
De zijnen gadeslaat met nimmer sluim’rende oogen.
Verwacht, verwacht vrij; keert uw uitzicht nimmer af!
De Leeuw van Juda leeft, voert aarde- en hemelstaf,
En nadert andermaal. Verbeidt hem! Ja Hy nadert,
Waar ’t ruim Megiddon reeds zijne arenden vergadert
Den bloedwalm riekend, die van ’t overgofde dal
Der slachting wijd en zijd ten hemel opgaan zal,
Wanneer Zijn wrekende arm de Heidnen uit zal delgen,
En Isrels hoop hereent met de afgedwaalde telgen.
Betreurt uw tempel tot zoo lang nog, treurt, ja treurt!
De sluier wordt u haast van ’t aanzicht afgescheurd.
Toont uw’ Messias slechts getrouwheid in ’t verwachten,
Naar wien ge in nood en leed geloovig blijft versmachten!
Hy zal zich toonen; gy, Hem kennen, wederzien,
En met hernieuwden geest Hem al uw hulde biÍn.
Blijft immer aan uw God, aan dien Gezalfde, kleven:
Vergeet, geen oogenblik, geen stipjen van uw leven,
De Heilbeloftnis, u uit David toegezegd,
Getrouw aan ’t juk der wet, door God u opgelegd,
Tot u de zelfde macht, in wie gy steeds blijft hopen,
De banden afrukke en ’t verengde hart heropen’!
Maar deelt met Heidnen, met afvallig wankroost niet,
Dat zelf zijn God is en Jehovahs dienst verstiet. —
Gy, gy hebt hoop; volhardt, en laat die hoop niet varen.
Wat zoekt ge een toevlucht by des Bašls drekaltaren?
Geene andre hoop is u, is heel het wareldrond,
Dan die Gezalfde dien ’t Profeetendom verkondt,
En wee! die buiten Hem of troost of redding zoeken.
Verdenkt geen Christenhart van Isrels hoop te vloeken,
Uw hoop te smaden, of te dartlen met uw zucht,
Als louter bygeloof, verwilderd in haar vlucht.
Neen kroost van Jacob, neen; we eerbieden ze in de oprechtheid
Die ’t Godlijk zegel ziet in zulk een zielsgehechtheid:
Uw hoop is de onze, en onze redder, Heer, en God;
Verstootling van zijn volk, veroordeeld en bespot,
En ’t woedend Heidendom door u ten roof gegeven!
Ten roof — maar hun en u tot redding en tot leven!
Ű Twijfelt nooit aan uw belofte! ze is van God,
Die eenmaal zich verbond aan uwer Vaadren lot,
En ’t afgeweken zaad vervallen in zijn toren
Geen eeuwigheid van haat, maar rugkeer heeft gezworen.
Neen, wankelt niet; volhardt! De tijd verloopt zich nooit;
Haast ziet ge uw ballingschap aan dees Euphraat voltooid.
Het tienmaalzevend jaar wacht driewerf negenmalen
Vervulling. Ach, volhardt en ziet die Heilzon stralen
Die hijgt om u in ’t oog te blinken. Ja, heur gloor
Ontgloeit de kimmen reeds; heur morgenstar treedt voor.
De voorboŰ van uw heil is de afval dezer dagen,
Uw zonneschijn rijst op uit onze nevelvlagen.
Uw Heilverzaking hield der Heidnen kindschap in,
En de onze, uw wederkeer uit Abra‚ms huisgezin.
Mocht de ingeŽnte tak zich roemen om zijn lover,
God geeft ze in ’t straffensuur aan dees verdorring over,
Dat de afgehouwen rank in nieuwen bloei ontspruit’.
Schiet, lang verachte stam, in blij gebladert’ uit!
God wilde uw hoogmoed eens, en d’onzen thands verlagen:
Hereend zal onze olijf zijn oogst van vruchten dragen:
Hereend heft hy zijn kruin ten wolken, en omvat
Heel ’t aardrijk; en de daauw des hemels drenkt zijn blad,
En ’t drupt van ’t manna der onsterflijkheid. — Hebreeuwen!
Verliest geen voorrecht van een dertigtal van eeuwen,
In roeping, welda‚n, en kastijding omgegaen,
Om ’t onherroeplijk pad des afgronds in te slaan!
Aanbid, Ű edel Volk, door de Almacht uitverkoren,
Den Zoon van David, reeds in Abrams heup gezworen!
Houd onverwrikbaar aan uw heilbeloft’nis vast;
Het oogenblik genaakt. Hy beve, wien ’t verrast!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 5 augustus 1997