Willem Bilderdyk (1756-1831)

Godbestrijders.

God zal opstaan.Psalm LXVIII.

De onzachbre God der Legermachten
Staat op, Zijn vijand wordt verstrooid,
En smelt als ’t rijp der voorjaarsnachten,
Door d’eersten morgenstraal ontdooit.
Als rook, die walmend opgestegen,
Voor ’t oog zich uitbreidde in de lucht,
Of ’t wolkjen van een zomerregen,
Voor d’adem van de winden vlucht.
Of als voor ’t vuur der gloźnde kolen
Het drupplend bijėnwasch vervliet;
Of droomen die om ’t rustbed dolen,
Wanneer men uit den sluimer schiet.
Geen zwerm van weerelooze duiven
Zal zoo voor adelaar of gier,
Geen zandhoos voor den wind, verstuiven;
Geen rotszout, sprenklende in het vier.

Wat dan vermoet ge u heldenstukken,
Die ’t harnas aangespt tegen Hem,
Die de Aarde van heur spil kan rukken
En rotsen splijten door Zijn stem?
Hy sprak, Hy heeft den eed gezworen:
„Gy zijt mijn teźrgeliefden Zoon;
Mijn Zoon, mijn eenige geboren,
En eeuwig staat Uw gloriethroon.
Vergeefs weźrstaan U de aarsche machten:
Ik onderwierp haar aan uyw voet.
Verpletter die U durft verachten;
Vertreed, vergruizel ze in hun bloed.
Uw schepter doe de volken bukken!
Uw Rijk is eeuwig als mijn woord.
En wie Uw juk zich poog’te ontrukken;
Worst in de onleschbre vlam gesmoord.”

Wat onderstaat ge u stervelingen,
In opgezwollen Duivlenwaan,
Met Lucifer naar de eer te dingen
Van tegen de Almacht op te staan?
Wat tracht gy koorden af te werpen
Waar in u de arm dier Almacht knelt;
Wat, zwaard en legerspiets te scherpen,
Tot dollen opstand saamgesneld?
De Godheid ziet uw samenrotten,
En blaast op uw vermeetlen trots.
Zijne Almacht spot met uw bespotten,
En gy verbrijzelt op zijn rots.
Te rug! en leert uw schedel buigen;
Ontfangt de tucht, weźrbarstig zaad,
Eer de aarde van uw val zal tuigen!
Eén oogwenk nog en ’t is te laat!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 4 augustus 1997