Willem Bilderdyk (1756-1831)

Godbetrouwen.

Op U betrouw ik, Heer der Heeren
Op U tot wien mijn zangtoon klimt;
Op U die de onschuld zult verweeren,
Hoe fel door monsters aangegrimd!
Red, red my van ’t geweld dier snoden,
In dollen moedwil saamgeprest:
Die ingebeelden wareld goden!
Gy, rots op wie mijn hoop zich vest.

Bevrijd my van die gruwelbenden,
Wier opgezwollen overmoed
In ’t plicht- en eer- en wettenschenden,
Van dolheid schuimend, tiert en woedt;
Wier ziel, Godlasterend en verwaten,
Verwoesting blaast en Helvloek amt!
Op U heeft zich mijn hart verlaten,
Die geen verwachting ooit beschaamt.

Van d’opgang van mijns levens morgen,
God, betrouwde U dit mijn hart,
Zijn hoop, zijn uitzicht, vreugd, en zorgen;
En Gy, Gy deelde ’t troost in smart.
’k Lag met de doodverf op de kaken
En scheen bezweken voor elks oog;
Mijn bede mocht Uw throon genaken,
En ’k hief ’t stervend hoofd omhoog.

’k Stond, van den boord des grafs verrezen,
In jeugdig vuur en kracht en moed;
En — eeuwig zij Uw Naam geprezen,
Gy, groote God die wandren doet!
Ja, vloei’ mijn mond van lofzang over,
Zoo lang mijn boezem daalt en zwelt;
Gy die ’t van storm geplonderd lover
In nieuwe glans en vaag hersteld!

Gy hebt mijn dwaasheid onderwezen;
Mijn onkunde, Uwen weg getoond;
Gy, immer in mijn hart gelezen,
Ach! ware ’t, in dat hart gewoond!
Maar Gy, ge ontdekt me Uw vermogen,
Gy spraakt; de blinddoek viel; ik zag!
Uw vingerspits beroert my de oogen,
En ’t is door heel mijn aanzijn dag!

’k Moest laster, hoon en smaad verduren,
In mannenkracht by bruischend bloed;
De ramp des Vaderlands bezuren;
En Gy, Algoedheid, gaaft my moed.
Ik zwierf, en leed. — Doch wat is ’t lijden,
Voordien Uw vleugel overdekt?
Wat, met de ontbonden Hel te strijden,
Wannneer Ge ons zelf ten schild verstrekt?

Begeef me ook thands, Albehoeder,
In dees verzwakte grijsheid niet,
Daar ’t kroost des afgronds, steeds verwoeder,
Zijn pijlen op mijn borst verschiet!
Neen, zeggen ze, in hun trots vermeten:
Geen God beschermt hem, vallen we aan!
Doch Gy, in ’t Hemelsch licht gezeten,
Gy spot met ijdlen menschenwaan.

De smaad, de schand’zal ze overdekken;
Verteeren zullen ze in hun spijt;
En ik, in vre ten grave trekken,
Met wie Uw grooten Naam belijdt.
Ik zal dien grooten naam verkonden,
En roepen Uwe wedan uit,
Aan tal noch maat noch perk verbonden,
Op den U ten dank gespannen Luit.

Gy hebt me in kindsheid ggeslagen;
Als jongling, by de hand geleid:
Myn Cyther zal Uw lof gewagen
Door aller eeuwen eeuwigheid.
Gy, schenk, by dees vergrijsde hairen,
Aan mijn gebogen schedel, kracht;
En stembezieling aan mijn snaren;
En hoore ’t Batoos nageslacht!

Maar welk een toon bereikt Uw wonderen,
(Mijn ziel herdenkt ze, smelt, en jucht,)
De Aarde en Zee en Hel doordonderen,
Door eeuw aan eeuw en eeuw betuigd!
Gy zult me aan ’t graf niet overgeven,
Maar rukken me uit zijn ingewand;
Gy, Leven; Leven van het Leven:
Tot wien ik hart verhef en hand!

Beziel me, God, beziel mijn galmen,
En dringen zy door steen en staal,
Om al Uw goedhen uit te psalmen
In ’t vlammend vuur de hartetaal!
Ja, barst, mijn boezem, in gezangen;
In dank-, in lofgezang, van n!
Scheurt, banden die mij houdt gevangen!
Te Hemelwaart! naar Jezus heen!

Na Psalm LXXXI gevolgd.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 4 augustus 1997