Willem Bilderdyk (1756-1831)

Nieuwe Godsdienstleer.

„DRIE-EENHEID! ’t Is een woord dat de eerste Kerk niet kende,” —
Maar ’t komt hier op de zaak, op geen benaming, aan,
Waardoor we ’t Leerstuk met een kunstterm doen verstaan,
Die nooit weêrsproken werd dan door Socinus bende;
En ’t Leerstuk liep gevaar indien met ’t Woord ontwendde.
Ik zie het niet, hoe men ’t missen kan. —
„Ik hou me aqan ’t Bijbelblad, en daarom, ’k zwijg er van.” —
Nu ’t zij zo; maar de Duivel dan?
Die wordt er toch vermeld van ’t een aan ’t ander ende;
En echter, daarvan rept ge ook nooit. —
„Ja, maar ’k versta dat als een spreekwijs.” — Wel geplooid —
„Ja, ’t Oostersch was altijd met beeldspraak opgetooid;
„’t Was volksvooroordeel dat de Heiland niet dorst storen;
„Maar wy zijn wijzer, wy, in wijzer tijd geboren,
„En zulk een dwaling moet in ’t einde eens uitgeroerd.” —
Maar Eigen wil en Kracht? die spreekt de Bijbel tegen,
En ’k hoor daar telkens van, by de eedle Vrijheidsmin. —
„Die leert de Reden ons, die ook van God verkregen,
„Om op haar fijne schaal de waarheid na te wegen.” —
Voortreflijk! ’t is voor ’t minst een taamlijk goed begin!
Wat met geen eigen naam genoemd wordt, moet verzwegen:
Wat duidlijk word gezegd, dat geeft ge een andren zin;
En reden doet er by wat best haar komt gelegen.
De schanderheid is hoog gestegen;
Aan de eene zij’ verlies, aan de andre zij’ gewin!
De zaak is, ’t Bijbelwoord allengskens uit te wegen:
Of — JEZUS moet er uit, Sokrates daar in.

1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 10 augustus 1997