Met de doodwaâ om de leden,
t Hoofd op luttel stroo gebedt,
Lig ik aan den weg vertreden,
Eens de baan der deugd ontgleden,
En mijn naam werd lastersmet.
t Stormweêr moog dit gras doen golven,
t Zand verwaaien dat my dekt,
t Lichaam in den kuil ontdolven
Leevren tot een aas der wolven;
k Wacht op dEngel die my wekt.
God is goed; maar rustloos beven
Wroeging, door geen tijd gesmoord,
Zal door s wreedaarts boezem zweven,
Die de lust van t argloos leven
In mijne Onschuld heeft vermoord.
Moog hem God genâ bewijzen
Om die wroeging, om dat leed,
k Zal in dubble vreugd verrijzen
Om diens Heilands naam te prijzen,
Wien de menschheid heeft omkleed.
1823.
Ingezonden: 8 augustus 1997