Willem Bilderdyk (1756-1831)

Namen.

At nos virtutes ipsas invertimus, atque
Sincerum cupimus vas incrustare. ———
                                    
 H O R A T I U S.

Saint-preux (of zoo hy heet) vindt in zijn hartvriendin
Een sproetjen aan den mond, of mooglijk aan de kin,
Zoo overheerlijk fraai, dat hy den armen schilder
Die ’t ding vergeten had, voor beul of paardenvilder
Of erger uitschold, die haar schoonheid had mismaakt
In ’t geen zijn boezem juist voornaamlijk had geraakt.
Zoo vond Balbinus in de snotneus groot behagen
Die de arme Hagna tot bespotting plach te dragen.
Waarom niet? ’t Lieve is lief, en Liefde is alles schoon.
De goede Flakkus-zelf spreek tme op d’eigen toon.
De vriendschap, zegt hy, moet wat blind zijn voor gebreken
Aan andren zichtbaar, of verbloemen zo onder ’t spreken
Voor ’t minst, met zulk een naam als ’t ongemak verzacht.
Die scheel ziet, pinkt maar wat, of lonkt en lodderlacht.
Een kreuple wordt gezegd zoo eenigzins te hinken;
Een dwergjen, dien men in een pintskan zou verdrinken,
De grootste niet te zijn, maar ter van lijf en len;
En kromme schenken heet een weinig kuit op scheen.
Een vrek die van zijn goed de nooddruft niet durft nemen,
Is iemand die zich niet het zijne laat ontvremen,
Maar op de kleintjes past. Een kwistgoed neemt er ’t zijn
Ordentlijk van, zoo ’t dient. Een booze schalk heet fijn,
Een wildzang, zonder erg. — Een buffel plomp van zeden
Heet rond en recht door zee, niet huichlende in zijn reden:
Een korzelkop, een man wien vuur in de aadren zit,
Zoo zet men by verdrag elkandren ’t been in ’t lid!
Ik dulde ’t, mits men slechts de deugden niet miskende,
En aan die valsche kleur zijne oogen zoo gewende,
Dat de ondeugd tot een deugd, de deugd tot ondeugd wierd,
En heel de wareld door vervalschten naam bestierd.
Want eindlijk is ’t zoo verr’ gekomen, dat het namen,
Geen daden zijn, die thands vereeren of beschamen.
In woorden rust thands wijs- en braafheid. Vraag het KANT
Met al zijn mijmery van ’t rein en echt verstand.
Waar in bestaat zy? — In een woordenboek van termen
Waarover zich (eilaas !) de Hemel moet erbermen.
Ik, die dien misthoop heb doorkropen, wijl ik moest,
Ik vond er, ja, verstand, maat dat zich-zelf verwoest. —
Doch de arme Kant kreeg reeds zoo dikwijls om zijne ooren,
Hy ruste! Duitschland-zelf heeft d’onzin afgezworen,
Die eerst zoo heerlijk klonk, maar, naar ’t gemeene lot,
Voor later onzin week, wellicht niet minder zot.
Wat ook, wat mogen ons die Filizofen raken
Die, op hun praatstoel, als een poel van eenden kwaken
en hasplen door elkar wanneer een vreemde Waart
Van uit den hemel valt en door hun vijver vaart!
Zien we om ons naar hetgeen ons nader treft. Wy mogen
Wy moeten ’t zelfs: de zaak kan ’t zwijgen niet gedogen.
’t Misleide volk dat in ’t verderf wordt heengesleurd,
Moet niet, stilzittende, in zijn ondergang betreurd;
Neen, ’t moet gewaarschouwd voor verleiders die ’t vervoeren
Tot zelfverdelging, tot verwoestend Staatsberoeren.
En hoe, — Door woorden. Ja, door namen: ijdle lucht,
Maar in haar werking meer dan ’t dondrend gerucht
Dat Leyden half, dat Delft geheel ten gronde sloopte,
En puin- by puinhoop op de ontvolkte straten hoopte.
Door namen, waar begrip, waar oordeel, hart, gemoed,
Verward, verdwaasd door wordt, vergiftigd tot in ’t bloed.
Rampzalig menschdom, dat, als onbedreven lammeren
Ter slachtbank, in de kolk van ondoorzienbre jammeren
Geleid, den booswicht volgt, die in de schapenvacht
U listig voortreedt waar u ’t wolfsgebit verwacht.
Ach! altijd waart ge een prooi van klank en holle woorden,
En speelbal van ’t Geweld, tot onderling vermoorden
(Als schermers voor ’t vermaak der Roomren) aangehitst;
Nu, ’t onverstand ten roof, dan, de afgerechte list;
Door de aandrift van een stoet baldadige onverlaten
Met zweepen opgestuwd als slaafsche Helsodaten.
Wat heiligst, dierbaarst was aan ’t harte, moest zijn naam
Nu, d’opschik leenen van een laffe poppenkraam;
Dan ’t windrig marktgeschrei van razenddolle adepten,
Die uit hun ledig brein vergulde droomen schepten;
Dan, volkstyranne, uit de volksheffe opgestaan
Om throon of outer in verwoedheid ner te slaan.
Ach, ge ondervondt het, en betaalde ’t met ellende.
Maar neen, die Leerschool duurt nog liep zy niet ten ende.
En wien, wien dient ge in al die onrust, al ’t gewroet?
Vermomde Heerschzucht, die zich vet mest met uw bloed.
’t Zijn Robespierres, ’t zijn nog slimmer, ’t zijn Muratten,
Die ’t wettige gezag u nimmer uit doen spatten,
U nimmer vleien met een vrijheid, zelfbeheer,
Of oppermachtigheid van nieuwgevonden leer,
Dan om hun vloekbre, hun van God verwaten keten
Te klinken om uw hals, uw tong zelfs, en geweten.
Ach, is de ervaarnis die de Vader aan zijn kind
Ten erfdeel naliet, gants verstoven in den wind!
Waar, waartoe (Hemel!) dan zoo veel, zoo lang geleden,
Zoo ’t MORGEN even dwaas als ’t GISTREN of ’t HEDEN!
Zijn we altijd reedloos vee, bedrogen door den schijn,
Om eindloos wer verlokt, ten val vervoerd te zijn?
Ziet ge onder ’t dol geboeft’ van valsche Liberalen
Geen Jakobijnsche muts op ’t bloedig peikhout pralen,
Waarme men Frankrijks Vorst van ’t overweldigd Slot
In woede en moord vervoerde, en wijdde voor ’t Schavot?
Herroept ge u, met een hoofd dat niet van afschrik duizelt,
De duizenden, door knots en vliegend schroot vergruizeld,
Door markt en straat gesleept, verdronken in den stroom,
By ’t dweepende gedans om d’eedlen Vrijheidsboom?
Hun staat die fraaie stam in ’t harte nog geworteld,
Wier wrevel aan ’t gezag zoo schendig tegensportelt.
Onzinnig Holland, leer! word een-, word eenmaal wijs
Of, zoo gy ’t voorbeeld wraakt van ’t gruwelziek Parijs,
Herdenkt gy ’t vliegend heir niet langer dier vermetelen,
Die hier met wapenkracht de Rechters op hun zetelen,
De Hoofden van ’t bewind op ’t kussen van ’t gezag,
En alles wat den naam van achtbaar dragen mag,
In ketens sloegen, en, met schimp en smaad beladen,
Vervoerben; — voor uw oog het heiligst recht vertraden; —
Den Vorst, ’s Lands wellust, met de daavrende oproertrom
Vervolgden, en zijn goed en Oudreneigendom1
Met uitgerolde vaan door vuur en zwaard bestormden?
Zie daar die Helden wer die eens uw Staat hervormden!
Mijn Vaderland! zie daar wier Godloos Landverraan
De Fransche kluisters om uw vrijen nek deed slaan!
Zie daar wat Vrijheidsleus, wat vrij en volksrecht schreeuwne
Verwekt! — Geloof niet meer aan lang vervlotene eeuwen
Die ’t eens beproefden; neen, geloof u-zelv’ alleen!
Vraag, vraag uw Oudren die ’t beleefden met geween!
Vraag ’t uitgemergeld volk, vraag ’t uitgeput vermogen,
De welvaart, tot heur bron en ader uitgezogen,
Den bloei, den handel, en de zeevaart; vraag ’t Heelal,
Wat anders vrijheid, rust, en welvaart bracht ten val,
Dan ’t woedende gekrijsch dier Filozoofsche dwazen,
Die niets dan vrijheid, niets dan volksgelijkheid razen,
Geen God, geen Heiland meer, geen andre Oppermacht
Erkennen dan zich-zelf, — domzinnig wangeslacht!
Wat is hun Vrijheid? — ’t Is, naar eigen wil te leven,
Zich-zelv’, en Vorst, en God, dien wil tot wet te geven.
Wat ’s hun gelijkheid? — Al wat uitsteekt, neer te slaan,
(De kennis, deugd, verstand, door d’ingebeelden waan;
Geboorten, door het schuim van landverweezen snoden;)
Te knielen voor ’t gemeen, wat laag is te vergoden.
De Atheensche banvloek treft wien deugd of menschlijkheid,
Of Godvrucht, of Geboorte, of weldoen onderscheidt.
Zie daar uw Oppermacht, Volk, en ’t Alvermogen,
U toegekend van hun, die op hun wijsheid bogen!
Doc neen, waar is uw macht? wien valt die macht ten deel?
Zoo ’t recht u toekomst, wel! vereenig u, beveel!
Wat dwaasheid! Neen gy kiest, die (zeggen ze,) u verbeelden:
Zie daar dat heerlijk recht, waarme ze uw zinnen streelden.
Maar zacht! ook dit niet: neen, nog andren naar hun keus
Verbeelden u. — Zie daar die fraaie vrijheidsleus —
En dezen zijn het, die, naar willekeur of reden,
Begrippen, aanhang, of partydrift, wetten smeden,
En (kundig, eerlijk, dit verstaat zich, en getrouw,)
Totpijlers strekken van ’t steeds wagglend Staatsgebouw.
’t ijn Herkulessen, die den Atlas wel vervangen
Wien ’t op de schouders drukt, maar ’t hem te meer doen prangen,
Daar elk zijn zijde naar zijn wijsheid yvrigst tilt,
Dat grond en zoldring schudt en elk er ’t hart van lilt.
’k Beklaag u, mannen, die ooit andre Staatsvorm kendet;
Die, van uw jeugd af aan, aan stilte en rust gewendet;
Geen redenaarsgeschrei, geen onrust of getier
Beproefd hebt in den plicht van ’t neetlig Landbestier;
Vertrouwen, achting vondt; bezadigd in ’t beraden,
Geen oordeel van ’t gemeen, geen onderling versmaden,
Geen vijandschap verwachtte of openlijken spot,
Maar dank en glorie vond in ’t zelfgevoel en God.
Gelukkigen, die door uw Vorst ten raad getogen,
De waarheid toonen mocht aan zijn doorzichtige oogen,
Niet aan een menigte door zelfbelang verdeeld,
Of van den Reednaargeest van ’t dol Atheen doorspeeld!
Gelukkig Volk in ’t eind, die in uw Vorst den Vader:
In hem ’t gezag erkent van aller machten ader,
Gods Stedehouder, die zijn volk als kinders mint,
Maar ’s tevens aan zijn wil gehoorzaam, volgzaam, vindt:
Die tot zijn steun en hulp by zulken raad mag zoeken,
Wie de ingezogen waan noch aanhangzucht verkloeken;
Die hem aanspraaklijk zijn, geen dwarrelzieken hoop
Wien ’t slangengift der Eeuw ’t onrustig hart bekroop!
Neerland, mocht ik u in rust en stil genoegen,
Uw Vaderlijken grond, als eertijds, zien beploegen;
Uw werkplaats, uw getouw, uw winnend koopkantoor,
Bewonen, met die lust die Oudrenboezems gloor!
U ’t harte waardig zien, door hem u toegedragen
Wiens bloed tot driewerf u van ’t Dwanjuk heeft ontslagen!
En, smakende in de gunst van HEM die wondren doet,
En de uiterlijke vre, de vrede van ’t gemoed!

      1824.

1 (Het slot te Zoestdijk.)


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 9 augustus 1997