Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Oorring.

(MOORSCHE ROMANCE.)

Ach, mijn oorring,ach mijn oorring is gevallen in den vliet;
Wat, wat zal is Musa zeggen, ach ik weet, ik weet het niet!
Dus was ’t dat de schoone Zelis in wanhopend snikken riep.
Ach, daar ligt hy in het water, in het overgolfde diep.
Musa gaf my dese panden toe hy nokkend my verliet,
En wat zal ik hem vertellen? Hemel ach, ik weet het niet.

Ach, mijn schoone, dierbare oorring, paarlemoer in ’t goud gewrocht,
Liefdepantjen van mijn Musa, dat ik aan hem denken mocht!
Dat ik nooit het oor mocht leenen aan eens anders hartewond,
Nooit den afscheidskus vergeten die hy zegelde op mijn mond!
Komt hy nu werom van ’t leger en zy liggen in den vliet,
Wat, wat zal ik Musa zeggen? ach ik weet, ik weet het niet!

Ach! Mijn oorring, zal hy zeggen, had geen parel moeten zijn,
Maar een ijdel flikkrende onyx met een valschen schitterschijn.
Neen geen goud of reine parel voegde by een valsch gemoed,
Maar een rein bestendig harte, niet verkoelbaar in zijn gloed.
Ja, dit zal, dit moet hy denken als zijn oog my wederziet!
En, helaas, wat zal ik zeggen? ach ik weet, ik weet het niet!

Denken zal hy, dat ik stoeide met de wilde kermisvreugd;
Dat ik luisterde naar ’t vleien van de dartle Herderjeugd;
Dat me eens anders arm ( gruwel!) om den hals gegrepen had,
En den oorring los doen schieten, ner doen ploffen in het nat.
Ach mijn oorring, dierbare oorring! daar, daar ligt hy in den vliet;
En wat zal, wat kan ik zeggen? ach ik weet, ik weet het niet!

’k Ben een meisjen, zal hy zeggen, wuft als alle, los van zin,
Dat in ’t byzijn, ja, gevoel had voor ’t betuigen van zijn min,
Maar, zoo dra hy uit mijn oogen ’t vak der golven overstak,
’t Pandjen van zijn trouw verachtte, en mijn maagdeneed verbrak.
Mijn oorring! mijn oorring! voor my rampzaalge vliet!
Wat, wat zal ik Musa zeggen? ach ik weet, ik weet het niet!

’k Zal hem slechts de waarheid zeggen: o dat hy ’t gelooven mag
Dat ik altijd aan hem peinsde, t’ elken gantschen dag aan dag.
Dat ik peinzende aan zijn liefde, by het dalen van de zon
’t Hangend siersel in mijne ooren spieglend aanschouwde in de bron;
Dat ik ’t, in mijn hand genomen, voor mijne oogen schitttren liet,
En de flikkring van dat kleinood my verdubbelde in den vliet;

Dat ik, na herhaalde kussen, ’t diergeleifde minnepand,
Hart en oogen naar den hemel, juichende ophief in de hand;
Dat zijn ziel in duizend zuchten tot hem heenvloog over zee,
En — het pandtjen in die mijmring bevend uit mijn handen gle;
Dat zijn liefde nooit dit harte dan met d’ademtocht ontschiet;
En daar dieper ligt bedolven dan deze oorring in den vliet.

Musa, ja, dit zal ik zeggen, en uw tergevoelig hart
Zal gelooven aan mijn tranen, en verzoeten dees mijn smart.
Ja, uw kussen zal ze droogen; ja, mijn boezem zegt my dit;
Ja, gy zult het hart erkennen dat mijn Musa steeds bezit;
Hart, dat voor zijn oog versmeltend in de tranen die ’t vergiet,
In de tederste echtomhelzing met het zijne samenvliet.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 11 augustus 1997